BES stimuleert maximale benutting eigen mest

De BES-pilot is opgezet om de landbouwkundige en milieukundige effecten te onderzoeken van bedrijfsspecifieke bemesting in de melkveehouderij. De pilotbedrijven krijgen jaarlijks een bedrijfsspecifieke bemestingsruimte gebaseerd op dezelfde rekensystematiek als de generieke gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat met dierlijke mest en kunstmest. Met dit verschil dat de gewasopbrengst van stikstof en fosfaat nu voor elk afzonderlijk bedrijf wordt bepaald en niet wordt gebaseerd op forfaits. Dit stimuleert het streven naar een maximale benutting van de eigen mest.

De bedrijfsspecifieke bepaling van de gewasopbrengst is gebaseerd op KringloopWijzer-resultaten van elk bedrijf. Belangrijke uitgangspunten bij de afleiding van de BES-normen zijn fosfaatevenwichtsbemesting en geen hoger bodemoverschot voor stikstof dan bij de generieke situatie.


In de BES-pilot was de bedrijfsspecifieke gebruiksnorm voor dierlijke mest op de meeste bedrijven hoger dan generiek. De kunstmestruimte is veelal lager omdat vaak stikstof uit kunstmest wordt ingeleverd tegen stikstof uit dierlijke mest. Dit geeft een sterke impuls aan de deelnemers om de meststoffen uit dierlijke mest zo goed mogelijk te benutten. Diverse deelnemers gebruiken hun kunstmestruimte in de BES niet volledig. Hoge kunstmestprijzen versterken dit effect.


Gemiddeld over de jaren leidde BES tot een extra fosfaataanvoer van 12 kilo per hectare ten opzichte van de generieke bemestingsnormen. Deze stijging deed zich vooral voor op de bedrijven op kleigrond. Hierdoor kwam het fosfaatoverschot dichter bij nul, terwijl dit eerst nog flink negatief was.


De toegestane stikstofaanvoer met dierlijke mest volgens de BES-systematiek was gemiddeld 78 kilo per hectare hoger dan volgens de generieke normen. De pilotresultaten duiden niet op noemenswaardige effecten van de BES op waterkwaliteit, op biodiversiteit, op bodemleven en op duurzaamheid van de graszode. Extra aanvoer van organische stof kan zelfs gunstig zijn voor de koolstofvastlegging in de bodem.


Volgens de BES kunnen veehouders met een hoge gewasopbrengst meer ruimte krijgen voor gebruik van dierlijke mest en bedrijven met een lage gewasopbrengst juist minder. Bij een 100% sectorbrede toepassing houdt dit elkaar in evenwicht. Echter, ondernemers die met BES minder dierlijke mest mogen gebruiken dan generiek, zullen er in het algemeen niet voor kiezen. Dit suggereert dat de tweezijdigheid bij een sectorbrede toepassing niet zomaar bereikt zal worden. Hiervoor zijn verschillende oplossingen denkbaar. Het zou goed zijn om deze uit te werken

Bron: Verantwoorde Veehouderij, 13/07/2022
Publicatie: 14-07-2022