Kabinet neemt denklijnen Remkes stikstofaanpak grotendeels over
Advies Remkes
In een beschouwing ‘Wat wel kan’ gaf Remkes een aantal denklijn om uit de impasse te komen die ontstaan was nadat, op basis van het rapport ‘Niet alles kan overal’, het kabinet met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) kwam, met daarin onder andere het beruchte stikstofkaartje.
Remkes gaf een vijfentwintigtal adviezen langs drie lijnen:
- een korte termijnaanpak om vergunningverlening weer op gang te krijgen, met name via saneren van piekbelasters;
- een langjarige perspectief voor de agrarische sector en het landelijke gebied;
- gebiedsgericht werken om de complexe puzzels van alle opgaven te leggen.
In plaats van het gedetailleerde kaartje komt er nu een grofmazigere kaart waarin Nederland wordt onderverdeeld in vier gebieden: rode, gele, oranje en groene gebieden. In rode gebieden kan hoogproductieve landbouw geclusterd plaatsvinden. Oranje zijn gebieden met kwetsbare natuur, waar alleen ‘natuurinclusieve’ landbouw mogelijk is. Dat zal in veel gevallen extensivering en omschakeling vereisen. In groene en gele gebieden rond en in de Natura 2000 zal alleen heel beperkt biologische landbouw mogelijk zijn, en dan in combinatie met natuurbeheer. Hier moeten dan ‘biosysteemvergoedingen’ tegenover staan.
Dit lijkt dus sterk op de eerdere kaart uit het NPLG, maar dan minder gedetailleerd en dus minder duidelijk voor individuele bedrijven.
KDW en van depositie naar emissie
Het kabinet gaat ook onderzoeken of de KDW (kritische depositiewaarde) op termijn kan worden vervangen door een andere (juridisch houdbare) systematiek. Een ander, maar hiermee samenhangend punt, is de wens van partijen om de slag te maken naar emissiesturing.
Dit sluit beter aan bij de praktijk, omdat ondernemers wel kunnen sturen op reductie van emissies uit hun bedrijf, maar veel minder op de depositie van deze emissies in natuurgebieden, die soms heel ver van het eigen bedrijf afliggen. Het terugdringen van de totale depositie op natuur en de nadelige gevolgen daarvan zijn primair een zorg en verantwoordelijkheid voor de overheid, zo vinden veel partijen. Het kabinet onderschrijft de wens en het belang om de slag te maken naar emissiesturing.
Het kabinet zal ervoor zorgen dat het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) aan deze twee wensen (KDW vervangen en boeren afrekenen op emissie uit het bedrijf in plaats van depositie in een natuurgebied) bij kan dragen.
In dit programma worden de huidige modellen en meetnetten verder verbeterd, maar wordt ook gewerkt aan het mogelijk maken van bedrijfsspecifieke metingen. Dit wordt gezamenlijk opgepakt met het bedrijfsleven en regionale overheden. Daarnaast wil het NKS een platform inrichten waarin men kennis kan uitwisselen over de regionale en provinciale meetinitiatieven en hun meetsystemen op elkaar af kan stemmen. Hiermee wordt gewerkt aan de ontwikkeling van concrete instrumenten om emissie(reductie) op het boerenerf te meten. Dit is te zien als het opvolgen van het eindrapport van 'kwartiermaker voor een regie-orgaan' Ruud Tijssens: ‘Versnellen van innovatie voor een toekomstbestendig agrarisch Nederland’.
Piekbelasters en PAS-melders
Eén van de adviezen van Remkes is het gericht en versneld wegnemen van de emissies van 500 à 600 zogenoemde piekbelasters. Op deze manier worden er zo min mogelijk ondernemingen geraakt en kan ruimte worden gecreëerd voor vergunningverlening. Remkes adviseert om aan de PAS-melders voorrang te geven als het gaat om de inzetbare stikstofruimte die afkomstig is van de piekbelasters. PAS-melders zijn bedrijven die - door gewijzigde wetgeving - ineens zonder vergunning kwamen te zitten, terwijl ze te goeder trouw en binnen de toen geldende kaders hadden gehandeld.
Het kabinet wil als het gaat om de piekbelasters, met ondernemers uit diverse sectoren, een gefaseerde aanpak bespreken. Deze gesprekken – op basis van vrijwilligheid - gaan in eerste instantie over het aanpassen of verplaatsen en pas daarna over het vrijwillig op- of uitkopen van een bedrijf. Het kabinet realiseert zich dat dit traject grote impact heeft en vindt het door Remkes genoemde tijdpad van één jaar ambitieus. Mede daarom wil het kabinet zo snel mogelijk een regeling vormgegeven. Het ministerie van LNV wil dit samen met de sector en provincies oppakken.
Landbouwakkoord
Het kabinet wil komen tot een zogenaamd Landbouwakkoord. In dit landbouwakkoord komen richtinggevende afspraken te staan over de toekomst van de landbouw, en moet leiden tot een betrouwbaar en voorspelbaar beleid ten aanzien van de transitie die in het landelijk gebied zal moeten plaatsvinden. In gebiedsprocessen worden vervolgens de puzzels om alle doelen ten aanzien van landbouw, natuur, waterkwaliteit en klimaatbestendigheid te realiseren.
Het kabinet vindt het cruciaal dat alle belanghebbenden een niet-vrijblijvende bijdrage leveren aan dit landbouwakkoord: niet alleen boeren en tuinders, maar ook bedrijven uit de toeleverende en verwerkende industrie, de financiële sector, en uit de industrie-, bouw-, mobiliteitssector.
Ministers Christianne van der Wal (Natuur en Stikstof) en Piet Adema (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Vervolg
Het kabinet benadrukt dat het Landbouwakkoord en de NPLG in samenhang moeten worden uitgewerkt.
In november volgt een tweede Kamerbrief over de toekomst van de landbouw, die kaderstellend en richtinggevend zal zijn voor het landbouwakkoord, waarvan het streven is deze in het begin van 2023 te sluiten. Ook in november komt er een kamerbrief met de hoofdlijnen van de NPLG, waarin de belangen van boeren, natuur, water en klimaat in het landelijk gebied worden samengebracht. In januari volgt er dan een nadere uitwerking, die onder meer in gezamenlijkheid met provincies en sector is opgesteld, waarin per gebied richtinggevende doelstellingen komen te staan. Ook stelt men dan richtinggevende doelen voor andere sectoren dan de landbouw vast.
