Europese criteria voor kunstmestvervangers lijken werkbaar
In Nederland en Europa maakt LTO Nederland zich al sinds 2008 hard voor de erkenning van kunstmestvervangers buiten de stikstof gebruiksnorm voor dierlijke mest. In Nederland draaien al jaren een beperkt aantal pilots met een ontheffing draait voor de inzet van onder andere mineralenconcentraten. Het is nu van belang deze pilotsituatie om te zetten in definitieve wetgeving. De inzet van LTO is om te komen tot werkbare regels waar in ieder geval de pilotproducten aan kunnen voldoen. Met de voorlopige criteria die nu voorgesteld worden lijkt dit te kunnen.
Gezien het traject dat nog doorlopen moet worden is het de verwachting dat toelating op zijn vroegst in 2021 plaats kan vinden. De Nitraatrichtlijn maakt onderscheid tussen dierlijke meststoffen en chemische meststoffen. Het Joint Research Centre van de Europese Commissie heeft voor de kunstmestvervangers die uit dierlijke mest gewonnen worden criteria voorgesteld waar deze aan moeten voldoen om op een zelfde manier als kunstmest binnen de Europese Nitraatrichtlijn te kunnen worden gebruikt.
Van de totale hoeveelheid stikstof in kunstmestvervangers moet tenminste 90% minerale stikstof zijn of de verhouding organische koolstof ten opzichte van de totale hoeveelheid stikstof moet kleiner of gelijk zijn aan 3. Deze verhoudingen moeten gecorrigeerd worden voor elke toevoeging van chemische stikstof afkomstig van het Haber-Bosch-proces. Daarnaast mogen de bemestingsproducten niet meer dan 300 milligram koper, 1 milligram kwik en 800 milligram zink per kilo droge stof bevatten.
Er moet ook voor gezorgd worden dat het tijdstip van toediening en de gift van de kunstmestvervangers aansluit bij de behoefte van het gewas om uit- en afspoeling van nutriƫnten te voorkomen en tot een minimum te beperken. Dat kan bijvoorbeeld mede bereikt worden door het gebruik van vanggewassen. Verder moet de ammoniakemissie bij de opslag en de aanwending worden geminimaliseerd. Ook moet er informatie over het gehalte stikstof, fosfaat en kali worden verstrekt.
Van de totale hoeveelheid stikstof in kunstmestvervangers moet tenminste 90% minerale stikstof zijn of de verhouding organische koolstof ten opzichte van de totale hoeveelheid stikstof moet kleiner of gelijk zijn aan 3. Deze verhoudingen moeten gecorrigeerd worden voor elke toevoeging van chemische stikstof afkomstig van het Haber-Bosch-proces. Daarnaast mogen de bemestingsproducten niet meer dan 300 milligram koper, 1 milligram kwik en 800 milligram zink per kilo droge stof bevatten.
Er moet ook voor gezorgd worden dat het tijdstip van toediening en de gift van de kunstmestvervangers aansluit bij de behoefte van het gewas om uit- en afspoeling van nutriƫnten te voorkomen en tot een minimum te beperken. Dat kan bijvoorbeeld mede bereikt worden door het gebruik van vanggewassen. Verder moet de ammoniakemissie bij de opslag en de aanwending worden geminimaliseerd. Ook moet er informatie over het gehalte stikstof, fosfaat en kali worden verstrekt.
Bron:
LTO Noord, 18/02/2020
Publicatie: 20-02-2020