Raad van State oordeelt dat provincie correct optrad tegen mestverwerker in Bergeijk

De provincie Noord-Brabant had voldoende gronden om in 2016 het loonwerk- en mesttransportbedrijf Houbraken in Bergeijk een last onder dwangsom op te leggen. Dat heeft de Raad van State woensdag 12 februari bepaald in een zaak die het bedrijf had aangespannen. Eerder had de rechtbank Oost-Brabant ook al geoordeeld dat de maatregel op zijn plaats was. De uitspraak van de rechtbank om ook de watervergunning van het bedrijf te vernietigen was echter ongegrond naar het oordeel van de Raad van State.
De provincie Noord-Brabant legde een last onder dwangsom op toen na een controle bleek dat het bedrijf veel meer mest verwerkte dan de 25.000 ton op jaarbasis waarvoor het bedrijf een vergunning had. In 2015 was verwerkte het bedrijf meer dan 75.000 ton mest en ook in 2016 was al 50.000 ton mest verwerkt. De provincie bepaalde dat het bedrijf 30 euro moest gaan betalen voor elke ton mest die er meer verwerkt werd dan de vergunning toeliet. De dwangsom kon oplopen tot maximaal 1,5 miljoen euro.

Houbraken heeft zich gehouden aan het dwangsombesluit van de provincie en heeft geen boete hoeven te betalen. Het bedrijf besloot wel tot een stap tot de rechter om de maatregel aan te vechten. Het bedrijf meent dat het door een gebrek aan mestverwerkingscapaciteit in Noord-Brabant min of meer gedwongen was om de vergunning te overtreden. Bovendien liep er een vegrunningaanvraag om de verwerkingscapaciteit uit te breiden naar 200.000 ton per jaar.

De Raad van State stelt vast dat Houbraken wel een geldige vergunning heeft voor het lozen van 180.000 kubieke meter water op de Keunensloop. Waterschap De Dommel verleende die vergunning in 2016. De rechtbank vernietigde de vergunning na bezwaren van de Brabantse Milieufederatie. In het hoger beroep van Houbraken heeft de Raad van State de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De watervergunning is belangrijk met het oog op de bedrijfsuitbreiding die Houbraken wil realiseren.

Zie voor meer informatie de uitspraak van de Raad van State.
Bron: Eindhovens Dagblad, 13/02/2020
Publicatie: 17-02-2020