Berichtgeving in de pers over stikstofverliezen uit mest bij emissie-arme stallen.
Gisteren kwam via onder anderen Dagblad Trouw ('De zogenaamde schone stal is net zo vervuilend als de traditionele stal'), nos.nl (''Moderne stal stoot mogelijk meer stikstof uit dan gedacht', onbegrip bij boeren') en RTL-Z ('Tegenvaller voor kabinet: veehouderij stoot meer stikstof uit dan gedacht') naar buiten dat uit mestmonsters blijkt dat emissiebeperkende maatregelen in stallen zoals emissie-arme vloeren en luchtwassers 'niet werken'.
Deze artikelen zijn gebaseerd op een studie van het CBS waar gehaltes in mest werden vergeleken. Aangezien stikstof (N) kan vervluchtigen en fosfaat (P2O5) niet, kan door wijzigingen in deze gehaltes in de tijd een inschatting worden gemaakt van de stikstofverliezen. Bij een stikstofverlies zal de verhouding N/P2O5 immers dalen.
Aanpak
CBS heeft een vergelijking gemaakt in N/P2O5-gehaltes in de mest tussen het moment van uitscheiding (excretie) en na de opslag. De gehaltes op het moment van excretie zijn afgeleid van de berekeningen die de 'Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralen' jaarlijks maakt voor de verschillende diercategorieën in de landbouwtelling. Dit zijn de gemiddelde stikstof- en fosfaatexcreties in de stal. De gehaltes in de mest na de mestopslag zijn afgeleid van de vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM's). Vervolgens werden deze berekende verliezen vergeleken met de emissiefactoren van de diverse staltypes. De emissie-factoren worden overigens bepaald door daadwerkelijk metingen te verrichten.
Het rapport (bijgevoegd) bespreekt de methode en de resultaten, waarbij wordt ingegaan op mogelijke verklaringen voor de gevonden verschillen.
Conclusie
Bij de meeste mestsoorten is het hier berekende stikstofverlies groter dan het verlies dat berekend wordt met emissiefactoren voor ammoniak en overige stikstofverbindingen. Het verschil is bij vaste mestsoorten (0,1% van de monsters) en bij emissiearme huisvesting het grootst. Alleen bij reguliere huisvesting van rundvee, varkens en pluimvee komt dit berekende stikstofverlies in de buurt van de emissiefactoren.
Men kan op basis van deze berekeningen overigens niets zeggen over de vorm van deze stikstofverliezen. Is dit als ammoniak (NH3), NOx, lachgas (N2O) of als stikstofgas (N2)? Dit is van wezenlijk belang voor de milieu-impact van deze groter dan verwachtte stikstofverliezen.
De meest waarschijnlijke verklaring voor het gevonden verschil in stikstofverlies is een onderschatting van de emissiefactoren voor gasvormige verliezen. Op basis van een gevoeligheidsanalyse concludeert CBS dat het niet voor de hand ligt dat andere factoren een substantieel deel van het verschil kunnen verklaren. In een toelichting geeft CBS-onderzoeker Cor Pierik echter duidelijk aan dat uit deze cijfers niet de harde conclusies kunnen worden getrokken zoals de landelijke pers dat heeft gedaan: "Dit is veel te kort door de bocht. Vervolgonderzoek is nodig om conclusies te kunnen trekken."
