Modelstudie: sectoroverstijgende aanpak varkens- en melkveemest is economisch optimaal
In deze modelstudie is het MERIT-model gebruikt. Hierbij kunnen effecten van maatregelen worden doorgerekend op effecten door de hele keten in. Dit is op landelijk niveau, wat betekent dat voor bepaalde regio's en zeker voor individuele bedrijven andere keuzes optimaal zijn.
In de studie wordt uitgegaan van een daling van de mestproductie door de opkoopregeling in de varkenshouderij. Hierbij is een aantal scenario's doorgerekend. Het basisscenario gaat uit van behoud van derogatie. Drie alternatieve scenario's becijferen het effect van afschaffing van de derogatie en een situatie waar er meer fosfaat uit slib van RWZI's in de Nederlandse landbouw wordt aangeboden.
In het basisscenario is de verwachting dat Nederlandse melkkoeien en varkens in 2020 ongeveer 118 miljoen kilo fosfaat en 342 miljoen kilogram stikstof in mest produceren. In Nederland is voor deze mestsoorten ruimte voor 113 miljoen kilo fosfaat en 342 miljoen kilogram stikstof (bij het basisscenario). Er is dus een overschot van 5 miljoen kg fosfaat, de productie en plaatsingsmogelijkheden van mest van andere diersoorten (met name pluimvee) niet meegerekend. Ook wordt uitgegaan van een nagenoeg volledige acceptatiegraad van deze mest door akkerbouwers en tuinders.
Modelberekeningen
Uitgaande van deze uitgangspunten en scenario's is een aantal maatregelen doorgerekend: de 0-optie (geen maatregelen nemen), verlagen van N en P in het voer, eenvoudige scheiding van mest in een dikke en dunne fractie, en vijf verschillende manieren om mest te verwerken.
De berekeningen tonen aan dat de economisch optimale oplossing in het basisscenario een gezamenlijke, sectoroverstijgende, inspanning vergt. Hierbij verlaagt de melkveehouderij de mineralengehaltes in het voer en scheidt een deel van de mest. De vleesvarkenshouderij verlaagt de voergehaltes juist niet maar verwerkt de drijfmest. De fokvarkenshouderij moet - afhankelijk van het scenario - de gehaltes in het voer verlagen en drijfmest verwerken. Deze situatie leidt tot een grote kostenbesparing in zijn totaliteit, echter met wel een verschuiving van de kosten tussen de sectoren.
Afschaffing van de derogatie zou een groot effect hebben op de totale kosten en de te nemen maatregelen, het effect van aanbieden van fosfaat uit slib zou - bij de gekozen uitgangspunten - minder effect hebben.
De berekeningen laten ook zien dat relatief geringe wijzigingen in uitgangspunten andere maatregelen interessanter worden. Een gevoeligheidsanalyse is daarom nodig om effecten van maatregelen goed te kunnen inschatten.
Advies aan overheid en bedrijfsleven
De onderzoekers geven aan de overheid het advies om langdurige zekerheid te verschaffen over het beleid aangaande de beschikbare gebruiksruimte voor fosfaat- en stikstof.
De onderzoekers adviseren boeren, agrarisch bedrijfsleven, overheid en landbouwkundig onderzoek om verder te analyseren hoe kosten en baten in de mest-afzetketen zijn verdeeld tussen de sectoren, per schakel en per bedrijfstype om inzicht te krijgen in de benodigde stimuli per sector, ketenschakel en bedrijf om de economisch optimale oplossing te realiseren.
Mestverwerkers en landbouwkundig onderzoekers wordt aangeraden verwerkingstechnieken verder te ontwikkelingen voor vlees- en fokvarkensdrijfmest. Denk aan technieken als korrelen, BioEcoSIM en RePeatGZ, die nodig zijn als de plaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat uit dierlijke mest kleiner wordt dan de huidige plaatsingsruimte.
Het rapport is hier bijgevoegd. Meer informatie is te verkrijgen bij wetenschapper Coen van Wagenberg van Wageningen Economic Research.
