PBL: 'Aangescherpte mestregelgeving sorteert effect'
Door de maatregelen die in de Meststoffenwet zijn genomen zal de uit- en afspoeling van stikstof naar het water naar verwachting aanzienlijk dalen. Dat geldt ook voor de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen. De maatregelen leiden vooral vanaf 2026 tot hoge kosten voor boeren om dierlijke mest af te zetten omdat de mogelijkheden daarvoor beperkt zijn.
De nitraatconcentratie in het uitspoelende water onder landbouwgronden daalt als gevolg van de strengere gebruiksnormen. In veel gebieden zal hierdoor de nitraatconcentratie in 2027 gemiddeld voldoen aan de norm voor nitraat in grondwater. In delen van Brabant en Limburg worden de doelen gemiddeld genomen nog niet gehaald.
Ook de kwaliteit van oppervlaktewater verbetert waardoor er meer waterlichamen gaan voldoen aan de normen van de Kaderrichtlijn Water voor stikstof en fosfor. De emissie van ammoniak daalt als gevolg van de mestmaatregelen en ander beleid naar verwachting met circa 19% tussen 2022 en 2030. Voor broeikasgassen is dit circa 12%.
De effecten komen vooral door de maatregelen waardoor boeren minder mest en kunstmest kunnen gebruiken. De bijdrage van de maatregelen die via de wijziging van de Meststoffenwet worden geregeld is relatief beperkt. De wijziging van de Meststoffenwet regelt namelijk alleen het vastleggen van de productie van mest in Nederland en één maatregel om daar aan te voldoen: als veehouders hun productierechten buiten de familie overdragen wordt daar een deel van ‘afgeroomd’ en uit de markt gehaald.
De verlaging van de mestproductie heeft op de waterkwaliteit alleen een indirect effect. Wel zorgt de afroming voor een beperkte daling van de mestproductie. Toch dreigt met het afromen en de beëindigingsregelingen een overschrijding van het plafond. Als het plafond overschreden wordt is het de vraag of de Europese Commissie goedkeuring geeft voor een nieuwe beëindigingsregeling en kunnen sancties dreigen. Dat maakt het verlagen van de mestproductie urgent.
De gestelde doelen voor nutriënten in het grond- en het oppervlaktewater worden nog niet overal gehaald. Dat geldt ook voor de indicatieve doelen voor de uitstoot naar de lucht van ammoniak en broeikasgassen. Om de waterkwaliteit verder te verbeteren zal er vooral op de zandgronden en een deel van de oppervlaktewateren nog aanvullend beleid nodig zijn. Dat kan deels door in specifieke gebieden het mestgebruik verder te verlagen of in te grijpen in de gewaskeuze.
Aanvullend beleid zal het mestbeleid wel complexer maken en in sommige gebieden zeer strikt. Daarom kan ook een aanpak via het ruimtelijk beleid helpen, zoals bijvoorbeeld in beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Dit vraagt wel ruimtelijke keuzes, de inzet van instrumenten uit de Omgevingswet en een actiever grondbeleid om daar ander grondgebruik te realiseren.
Meer informatie is te vinden in de publicatie 'Effecten wijzigingen Meststoffenwet'.