Opinie Claude van Dongen LTO: van mestbeleid naar bodembeleid
Naar een effectief beleid voor water, klimaat, biodiversiteit en boeren
In Nederland kennen we een mestbeleid dat zich al tientallen jaren ontwikkelt. In die jaren is al veel bereikt in het verbeteren van de benutting van de nutriënten en het verlagen van de verliezen naar de omgeving. Om ons voor te bereiden op de uitdagingen van de komende jaren is het noodzakelijk om het beleid bij te sturen. Waar de doelstellingen van de afgelopen jaren met name op het gebied van (grond)waterkwaliteit lagen, worden de komende jaren de kaders vanuit de klimaat-, biodiversiteitdoelstellingen en het sluiten van kringlopen ook sturend. Dit vraagt volgens LTO Nederland in de komende jaren niet zozeer om een aangepast mestbeleid, maar om een bodembeleid waarmee de onderliggende doelstellingen worden nagestreefd.
Bodem als uitgangspunt
Bodembeleid met als uitgangspunt de op het bedrijf aanwezige bodemomstandigheden en daarbij inzicht in de randvoorwaarden die vanuit bijvoorbeeld de waterkwaliteit dienen te worden gerealiseerd. De toe te passen bemesting zal daar waar mogelijk met de inzet van dierlijke meststoffen worden ingevuld. Hierdoor zal in sommige regio's of sectoren meer mogelijkheden op bedrijfsniveau komen. Echter in andere situaties zal dit om specifieke bedrijfsaanpassingen vragen waardoor de randvoorwaarden beter worden ingevuld. Deze bedrijfsaanpassingen worden in deze situatie wel met een specifiek doel uitgevoerd, waardoor naar de mening van LTO Nederland het effect van deze aanpassingen veel groter zal zijn dan de wijze waarop het mestbeleid in de afgelopen jaren op deze randvoorwaarden heeft gestuurd. Dat was veelal met algemene beperkingen van het gebruik van meststoffen of door voorgeschreven teelt- of bemestingsmethoden.
Een bodembeleid dat binnen de milieudoelen stuurt op kringlooplandbouw en het zoveel mogelijk gebruik van dierlijke mest en groene grondstoffen. Dit leidt tot een stimulering van het maken van specifieke kwaliteitsproducten via mestverwerking of uit specifieke veehouderijsystemen. Meststoffen die niet binnen Nederland kunnen worden geplaatst, worden via gecertificeerde mestverwerking tot kwaliteitsproducten omgezet en in het buitenland afgezet.
De Nederlandse land- en tuinbouw is divers. Het is dan ook niet eenvoudig om algemene maatregelen voor te schrijven die nog resterende opgaven in de waterkwaliteit effectief oplossen. Het is in de ogen van LTO Nederland veel beter om ondernemers aan te spreken op de te behalen doelen of afgeleiden zoals een maximaal te behalen bodemoverschot, waardoor het aannemelijk is dat er voldoende bijdrage aan het behalen van de omschreven doelen wordt gerealiseerd.
Twee sporen; boer kiest zelf
In het beeld van LTO Nederland kunnen ondernemers via twee sporen aan de doelstellingen van het toekomstige bodembeleid voldoen. Ondernemers maken een keuze uit een van deze sporen.
Enerzijds zien we binnen de gehele breedte van de sector bedrijven die gewassen en/of gronden hebben waarbij de kans op overschrijdingen van de milieukaders gering is. Op deze bedrijven worden gewassen of gewascombinaties geteeld die weinig voedingsstoffen in de bodem achterlaten of hebben gronden waarop dit tot weinig risico op bijvoorbeeld overschrijding van de waterkwaliteitseisen leidt. Deze bedrijven kunnen dan met een eenvoudig forfaitair systeem uit de voeten. Dit systeem zal veel raakvlakken hebben met het huidige basisbeleid. Anderzijds zijn er ook bedrijven die op dit moment al moeilijk in te passen zijn in het huidige basisbeleid. Bijvoorbeeld omdat de hoge gewasopbrengsten leiden tot het niet kunnen toepassen van een fosfaatevenwichtsbemesting. Of is de gerealiseerde mestproductie minder dan op basis van de standaardnormen wordt voorspeld. Of omdat er regionaal overschrijdingen van de nitraatuitspoeling naar het grondwater zijn. Dit resulteert in het huidige beleid tot beperkingen en verplichtingen, waarbij de achterliggende doelstellingen lang niet altijd worden gehaald. Volgens LTO Nederland kunnen deze bedrijven veel beter op de doelen van bijvoorbeeld het grondwaterbeleid worden beoordeeld. De wijze waarop de maximaal te behalen bodemoverschotten wordt gerealiseerd kent dan meer mogelijkheden voor de ondernemer om passende keuzen te maken en deze optimaal in te zetten. In deze specifieke verantwoording van de
bedrijfsresultaten is de ondernemer aan zet om aannemelijk te maken dat de resultaten ook behaald worden.
De onderbouwing van de bedrijfsspecifieke verantwoording bestaat uit bijvoorbeeld balansberekeningen zoals deze in de kringloopwijzer voor melkvee of bodembalansen voor akkerbouw of tuinbouw kunnen worden berekend. In deze onderbouwing nemen ketenpartijen ook een rol, zoals op dit moment al in de uitrol van de kringloopwijzer en de opzet van een gecertificeerde mestketen wordt gerealiseerd.
Voor een aannemelijke verantwoording in de praktijk is ook de inzet van bijvoorbeeld steekproefsgewijze grondmonsters denkbaar. Hiermee wordt gecheckt of de berekening op papier ook ongeveer in het veld terug gevonden kan worden en dus aannemelijk is.
Optimaal in te zetten
Bovenstaande keuzemogelijkheid tussen een forfaitair of bedrijfsspecifiek systeem sturend op milieu-, klimaat- en biodiversiteitdoelen geeft ruimte om het toepassen van bodemverbeteraars, het vervangen van kunstmest door dierlijke mest in een gewasderogatie of het toepassen van groene grondstoffen uit dierlijke mest te verantwoorden. Hierbij wordt de ondernemer uitgedaagd om passende bedrijfsmaatregelen zo optimaal mogelijk in te zetten, waardoor een toekomstbestendig bedrijf kan worden opgebouwd binnen de gestelde kaders. De ondernemer is hierbij bewust van zijn eigen verantwoordelijkheden en krijgt inzicht in de gevolgen van zijn keuzen. Belangrijk is dat een ieder zich van deze rol bewust wordt omdat landbouw een samenhangend geheel is. Het gaat pas werken indien ondernemers elkaar aansporen tot gerichte acties zoals het leveren van kwaliteitsmeststoffen. In de visie van LTO Nederland wordt op deze wijze een integraal systeem opgezet dat leidt tot een effectiever en een meer passend beleid voor de ondernemers.