Minister hoeft niet handhavend op te treden tegen exploitant van co-vergister

Omwonenden hebben de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gevraagd om vanwege geuroverlast handhavend op te treden tegen een bedrijf dat mest en co-producten vergist. Zij deden dat op grond van de Europese verordening voor dierlijke bijproducten en de Meststoffenwet. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt vast dat de regelgeving op basis waarvan zij handhaving vragen niet de bescherming biedt van de door hen ingeroepen persoonlijke belangen.

De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft de exploitant van de co-vergister erkend en geregistreerd. Daarvoor zijn ook controles op naleving van de voorschriften uitgevoerd en dat heeft geleid tot een schriftelijke waarschuwing vanwege administratieve tekortkomingen in aanduidingen en handelsdocumenten. Bij een laatste hercontrole in februari 2022 zijn geen overtredingen meer vastgesteld.


Omwonenden stellen dat ze ernstige geuroverlast ondervinden en de gemeente en het waterschap hebben al veelvuldig overtredingen vastgesteld, maar adequate handhaving is uitgebleven. Daarom zou de minister de erkenning voor de co-vergister moeten intrekken.
De minister heeft een handhavingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarmakers geen belanghebbenden zijn, als het gaat om de regelgeving waarbij het ministerie de verantwoordelijkheid draagt bij de handhaving. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt dat dit juist is en daarom is het beroep ongegrond..


Meer informatie is te vinden in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Bron: College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23/07/2024
Publicatie: 26-07-2024