Rechter acht vordering van maatschap op Merensteyn ongegrond

De rechtbank Oost-Brabant heeft woensdag 17 juli het mestverwerkingsbedrijf Merensteyn in het gelijk gesteld in een geschil rond een mestverwerkingsovereenkomst die met een veehouderijbedrijf werd gesloten. Alle vorderingen die de maatschap nog richting Merensteyn meende te hebben worden door de rechter afgewezen en het bedrijf dient de nog openstaande facturen te voldoen.

In 2020 is een geschil ontstaan over de hoeveelheid door de maatschap aan te leveren mest. Partijen hebben op 1 maart 2021 een overeenkomst gesloten, waarin werd afgesproken dat de maatschap minder mest zou leveren dan de in de oorspronkelijke mestverwerkingsovereenkomst opgenomen hoeveelheid van 10.000 ton per jaar.


Merensteyn heeft de ophaaltarieven na 2015 bij herhaling verhoogd. De maatschap heeft die verhoogde tarieven aanvankelijk voldaan, maar wilde vanaf begin 2021 niet meer betalen dan het tarief dat was opgenomen in de bijlage bij de mestverwerkingsovereenkomst. In november 2021 heeft de maatschap aan de rechtbank Limburg gevraagd voor een bedrag van bijna 410.000 euro beslag te leggen bij Merensteyn vanwege een vordering.


In mei 2023 werd na een kort geding bij de rechter overeen gekomen dat de mestverwerkingsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd en partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De maatschap zou alleen nog ruim 45.000 euro aan facturen aan Merensteyn moeten voldoen. Omdat discussie ontstond over de reikwijdte van de overeenkomst die partijen tijdens het kort geding hebben gesloten diende de rechtbank zich alsnog over de zaak uit te spreken.  


Meer details zijn te vinden in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.

Bron: Rechtbank Oost-Brabant, 23/07/2024
Publicatie: 26-07-2024