Rechter acht vordering van maatschap op Merensteyn ongegrond
In 2020 is een geschil ontstaan over de hoeveelheid door de maatschap aan te leveren mest. Partijen hebben op 1 maart 2021 een overeenkomst gesloten, waarin werd afgesproken dat de maatschap minder mest zou leveren dan de in de oorspronkelijke mestverwerkingsovereenkomst opgenomen hoeveelheid van 10.000 ton per jaar.
Merensteyn heeft de ophaaltarieven na 2015 bij herhaling verhoogd. De maatschap heeft die verhoogde tarieven aanvankelijk voldaan, maar wilde vanaf begin 2021 niet meer betalen dan het tarief dat was opgenomen in de bijlage bij de mestverwerkingsovereenkomst. In november 2021 heeft de maatschap aan de rechtbank Limburg gevraagd voor een bedrag van bijna 410.000 euro beslag te leggen bij Merensteyn vanwege een vordering.
In mei 2023 werd na een kort geding bij de rechter overeen gekomen dat de mestverwerkingsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd en partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De maatschap zou alleen nog ruim 45.000 euro aan facturen aan Merensteyn moeten voldoen. Omdat discussie ontstond over de reikwijdte van de overeenkomst die partijen tijdens het kort geding hebben gesloten diende de rechtbank zich alsnog over de zaak uit te spreken.
Meer details zijn te vinden in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.