Pluimveehouders vechten bij CBb onder andere de gehanteerde norm voor fipronil in mest aan

De regels die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hanteerde voor het afvoeren van pluimveemest met residuen van fipronil waren veel te streng. Dat stellen de advocaten die namens 117 pluimveehouders optreden in een zaak die dient bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Zij vragen zich af in hoeverre er in lijn met de Europese regels werd gehandeld door voor mest een maximum residulimiet van 0,005 milligram per kilo te hanteren. Mest met gehaltes fipronil boven die norm werd aangemerkt als categorie 1-materiaal en moest worden verbrand.
De advocaten wijzen er op dat de Europese verordening waarin de waardes van de maximum residulimieten zijn vastgelegd over levensmiddelen gaat. De juriste die namens de NVWA optrad onderkende dat. Volgens haar is een andere redenering gevolgd. Voor mest is geen niveau bepaald en daarom is de toegelaten hoeveelheid in principe 0. De mest wordt gezien als een bijproduct van een dier dat een illegale behandeling heeft ondergaan. Om die reden is de mest bestempeld als categorie 1-materiaal.

Het CBb verwacht behoorlijk veel tijd nodig te hebben om in de beroepsprocedures van de pluimveehouders tot een uitspraak te komen. Gebruikelijk is een termijn van 6 weken, met eventueel verlenging tot 12 weken, maar de rechter liet weten niet te verwachten die termijnen te gaan halen.

In de week van woensdag 10 juli wordt uitspraak gedaan in de civiele zaak die LTO en pluimveehouders hebben aangespannen tegen de NVWA. Dan zal het CBb laten weten of de zaak nog heropend moet worden, of wanneer de uitspraak verwacht kan worden.
Bron: Boerderij Vandaag, 07/06/2019
Publicatie: 07-06-2019