‘Transitie in intensieve veehouderij is niet haalbaar zonder steun’

Mogelijke maatregelen om de varkens-, pluimvee- en kalverhouderij te verduurzamen, hebben grote financiële gevolgen voor de boeren, blijkt uit onderzoek van Wageningen Economic Research. De transitie naar een duurzame intensieve veehouderij is niet haalbaar zonder een stabiel beleid met financiële steun, stellen de onderzoekers

De afbouw van de derogatie en de vermindering van de plaatsingsruimte voor dierlijke mest leidt tot een groter mestoverschot bij boeren en hogere kosten om de mest af te voeren. Die extra kosten kunnen oplopen tot ruim 55.000 euro per bedrijf per jaar op de korte termijn en 40.000 euro per bedrijf op de middellange termijn.


Deze extra kosten gelden met name in de varkenshouderij en in mindere mate in de kalverhouderij. Daarbij geldt: hoe groter het bedrijf, hoe hoger de meerkosten. De kostenstijging geldt niet voor de pluimveehouderij. De meeste mest van pluimveehouders wordt niet afgezet op Nederlandse akkers, maar geëxporteerd of verbrand, en die kosten stijgen niet of nauwelijks.


Daarnaast heeft de overheid stikstof- en klimaatdoelen vastgesteld. De onderzoekers rekenden de kosten door van enkele mogelijke maatregelen waarmee de veehouders emissies van ammoniak en methaan kunnen verlagen. In de varkenshouderij gaat het om dagontmesting in combinatie met mestverwerking buiten het bedrijf. Dat vergt een investering van 500.000 euro voor een gemiddeld bedrijf.


Pluimveebedrijven kunnen de ammoniak- en fijnstofuitstoot fors reduceren met luchtwassers. Dat vraagt 100.000 euro voor een doorsnee bedrijf. Een perspectiefvolle optie voor leghennenbedrijven is investeren in een droogtunnel. Een droogtunnel verlaagt de fijnstofemissies, kost geld, maar zorgt ook voor droge mest, waardoor de kosten van de mestafzet dalen.


Kalverhouders kunnen luchtwassers gebruiken of een systeem waarbij mest van de urine wordt gescheiden, om de doelen te halen. Die hebben verder weinig alternatieven.


De biologische sector scoort gunstiger. Biologische varkenshouders kunnen ook investeren in dagontmesting, maar ze hebben strorijke mest die economisch waardevoller is voor de akkerbouwer vanwege het hogere organische stofgehalte in vergelijking met drijfmest. Hierdoor hebben ze bijna geen nadelige inkomenseffecten door de derogatie.


De onderzoekers zien twee belangrijke maatregelen om de gewenste transitie te ondersteunen. Dat kan via subsidieregelingen voor niet-productieve investeringen en daarnaast via premies uit de markt. Dat betekent een hogere producentenprijs voor vlees en eieren die voldoen aan de stikstof- en klimaatdoelen.

Bron: Wageningen University & Research, 22/04/2024
Publicatie: 23-04-2024