Adema schetst belangrijkste elementen van zijn plan van aanpak voor mestcrisis

Minister Adema van LNV heeft elementen van zijn plan van aanpak voor de overspannen mestmarkt naar de Tweede Kamer gezonden. Basiselementen voor de korte termijn vormen beëindigingsregelingen, het voerspoor en een verhoogde afroming bij overdracht van productierechten. Mocht begin 2026 blijken dat de mestproductie onvoldoende is gedaald om onder het mestproductieplafond van 2025 te komen, kan een generieke korting vanwege overschrijding van het mestproductieplafond nodig zijn.

Om de druk op de mestmarkt te verminderen en te voorkomen dat in 2025 het mestproductieplafond wordt overschreden, stelt het kabinet voor om op korte termijn het afromingspercentage bij overdracht van fosfaatrechten buiten familieverband in de melkveehouderij te verhogen van 10% naar 30% en ook een afroming van 30% bij overdracht van varkensrechten en pluimveerechten in te voeren. De verwachting is dat dat stikstofproductie in dierlijke mest met enkele miljoenen kilo's zal afnemen.


De twee landelijke beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus zullen naar verwachting aanzienlijk bijdragen aan de verlaging van de mestproductie. Op dit moment kan echter nog niet vastgesteld worden hoeveel veehouders, die op grond van deze regelingen een subsidieaanvraag hebben ingediend, of nog gaan indienen, hun veehouderij daadwerkelijk gaan beëindigen en op welk moment deze beëindiging wordt gerealiseerd.


De melkveehouderijsector verwacht via het verlagen van het aandeel ruw eiwit in het rantsoen ook de stikstofproductie in rundveedrijfmest te kunnen verlagen. Dit kan enkele miljoenen kilogrammen stikstof in dierlijke mest opleveren wanneer het ruw eiwitgehalte in het rantsoen wordt verlaagd naar 158 gram per kilo droge stof. Het voerspoor zal door de sector zelf moeten worden gerealiseerd, waarbij het Rijk waar mogelijk zal helpen en ondersteunen.


Een generieke korting op de productierechten per 1 januari 2027 kan er alleen op gericht zijn om de mestproductie onder het mestproductieplafond uit de derogatiebeschikking te brengen. De betreffende verlaging van de mestproductie tot het mestproductieplafond van 2025 zal nog niet betekenen dat daarmee ook de mestmarkt weer in balans komt, stelt Adema. 


Het kabinet zou graag toewerken naar een grondgebonden melkveehouderijsector door middel van een graslandnorm om structureel mestproductie en mestplaatsing op bedrijfsniveau meer in evenwicht te brengen en de waterkwaliteit te verbeteren. In de rede ligt dat voor de melkveehouderij in 2032 een graslandnorm gaat gelden van 0,35 hectare grasland per grootvee-eenheid. Om hier te komen wordt voorgesteld om te streven naar 0,2 hectare grasland per grootvee-eenheid per 1 januari 2028 en van 0,25 hectare grasland per grootvee-eenheid per 1 januari 2030.


Het kabinet stelt daarnaast een brede beëindigingsregeling voor om in de periode 2025-2029 veehouders die vrijwillig willen stoppen, financieel te blijven ondersteunen. Deze regeling zou kunnen voortbouwen op de ervaringen met de Lbv en Lbv-plus en moet vanaf begin 2025 worden opengesteld. Het doel is te borgen dat de verlaging van het aantal gehouden dieren permanent is. Daar waar het om dieren gaat zonder productierechten, is een harde voorwaarde dat deze blijvend uit de markt worden gehaald.


De regeling kan worden bekostigd uit de middelen die zijn gereserveerd voor het Transitiefonds. Indicatief is er nog ruim 4 miljard euro beschikbaar om tot en met 2030 in zetten voor beëindigingsregelingen. De regeling wordt de komende maanden verder uitgewerkt en Adema zal de Tweede Kamer uiterlijk op Prinsjesdag informeren over de invulling van de regeling en het financiële beslag.


Meer informatie is te vinden in het document 'Plan van aanpak mestmarkt'.

Bron: Ministerie van LNV, 05/04/2024
Publicatie: 08-04-2024