'Doelsturing in mestbeleid is niet altijd makkelijker dan middelvoorschriften'
Bij doelsturing is het nodig om verder te specificeren naar het type grondsoort, stelt Velthof. "De löss- en droge zandgronden zijn veel gevoeliger voor uitspoeling dan de natte zandgronden. Het weer speelt ook een belangrijke rol. Een paar jaar geleden is de nitraatconcentratie fors toegenomen door de droogte. Ik verwacht dat door het kletsnatte najaar de nitraatconcentraties weer omlaag gaan. Het effect van weer is vaak veel groter dan de effecten van maatregelen. Dat maakt het heel moeilijk om goed te monitoren."
“Ik denk dat een regio-specifiek beleid beter is dan bedrijfsspecifiek. Nu leiden de meetnetten tot gemiddelden per grondsoortregio. Als naar een bedrijfsspecifieke beoordeling gaat, zal je zien dat er bedrijven zijn met 200 milligram nitraat per liter in het bovenste grondwater en andere bedrijven met 10 milligram per liter”, aldus Velthof.
"Je kan per bedrijf kijken hoeveel minerale stikstof er na de oogst in de bodem zit als indicator voor nitraatuitspoeling. En je kan ook naar het stikstofbodemoverschot kijken. Je kan ook kijken naar de grondsoort, gewassen en de grondwatertrap en dan kan je een maximaal bodemoverschot vaststellen. Bij zo’n systeem komt wel enorm veel administratie kijken. En uiteindelijk is het doel om de nitraatuitspoeling te verlagen en zijn de maatregelen die noodzakelijk zijn vergelijkbaar als bij het generieke beleid.”
"Het is de vraag of een generiek beleid niet eenvoudiger is dan wanneer je heel veel gaat meten en berekenen met heel veel administratie tot gevolg, en je uiteindelijk dezelfde maatregelen moet nemen. Je kunt ook kijken naar gebieden met de hoogste uitspoeling, zoals de droge zandgronden. Daar moet je wellicht voor afwegen of je daar nog wel uitspoelingsgevoelige gewassen, zoals mais, aardappelen en groentegewassen moet telen."