Draagkracht en T-som bepalend voor bemesting in het voorjaar
Vroeg dierlijke mest toedienen geeft de hoogste stikstofwerking en daarmee de hoogste stikstofbenutting op jaarbasis. Daarnaast voorziet dierlijke mest voor een belangrijk deel in de behoefte aan fosfor, kalium, zwavel en spoorelementen. Om een hoge stikstofbenutting uit mest te realiseren dient de mest netjes te worden toegediend. Ook moet de bodem geschikt zijn om te bemesten.
Natte percelen hebben weinig draagkracht. Dat geeft extra insporing en verdichting. Bovendien ligt in de wielsporen de mest vaak bovenop in plaats van in de sleuf. Bij zodenbemesting moet de mest volledig in de sleuf passen, zonder boven het maaiveld uit te komen en het gras langs de sleufrand te besmeuren. Want dat zou tot meer ammoniakverlies leiden en dus minder beschikbare stikstof voor het gras. Bij sleepvoeten op veen en klei is het zaak om vooral een smal strookje te realiseren met de 50% verdunde mest voor weinig besmeuring.
Vaak zijn er percelen op een bedrijf, zeker op zandgrond, die sneller opdrogen en eerder geschikt zijn om te bemesten. Er kan op deze percelen worden begonnen en met de rest worden gewacht tot later in maart. Het is ook mogelijk om gebruik te maken van een sleepslangensysteem bij zodenbemesting. Ook dan geldt het netjes toedienen van mest met een gift tot 30 m3 per hectare voor maaipercelen en tot ongeveer 20 m3 per hectare voor weidepercelen.