Pilot Bedrijfseigen stikstofnorm toont beperkingen van generieke normen

Het jaar 2023 was het laatste jaar van de pilot Bedrijfseigen stikstofnorm (BES). De deelnemende ondernemers hebben in 2023 voor de laatste keer gebruik kunnen maken van de bedrijfsspecifiek bepaalde gebruiksruimte voor dierlijke mest en kunstmest. De bemestingsruimte van een groep deelnemers, in de periode 2015 tot heden, geeft een goed beeld van de bedrijfsverschillen. Deze blijken fors. Daarmee worden feitelijk de beperkingen van generieke normen in beeld gebracht.

Hoewel het BES-concept inhoudelijk goed werkt, is gebleken dat er geen politiek draagvlak was voor het verder uitrollen van deze benadering. Omdat de inzichten van de pilot hierdoor niet meer van betekenis kunnen zijn voor de bredere praktijk wordt de pilot na 2023 niet meer voortgezet. In plaats daarvan moeten bedrijven nu gaan anticiperen op een situatie waarin de derogatie van de nitraatrichtlijn volledig wordt afgebouwd.


In de pilot is nog wel gekozen voor het netjes afronden van het laatste managementjaar en het monitoren van de effecten op stikstof- en fosfaatstromen. Ook waterkwaliteit wordt nog gemonitord. De resultaten daarvan worden in 2024 vastgelegd in een onderzoeksverslag dat mogelijk nog van belang kan zijn voor de toekomst.


Bij de BES pilot waren aanvankelijk alleen bedrijven aangesloten met een hoger dan gemiddelde gewasopbrengst voor stikstof en fosfaat. Binnen de deelnemers van Koeien & Kansen deden 5 bedrijven vanaf 2015 mee en 6 vanaf 2016. Door de gebruiksruimte van deze groep bedrijven in de tijd naast elkaar te zetten, is een langjarige trend in te beeld brengen.


Voor deze groep bedrijven was er over de hele periode ruimte om meer fosfaat en stikstof uit dierlijke mest te plaatsen dan generiek. Dat was zowel het geval voor de drie kleibedrijven als voor het veenbedrijf en het zandbedrijf in deze groep. Er is echter wel een duidelijke fluctuatie over de jaren. Deze fluctuatie is voor fosfaat het gevolg van jaarverschillen in de opbrengst in gewassen die deels toegeschreven kunnen worden aan het weer.


De plaatsingsruimte voor stikstof in dierlijke mest, beweegt mee met de ruimte voor plaatsing van fosfaat, maar er is nog een ander effect. De verhouding tussen het stikstof en fosfaatgehalte in mest heeft invloed, want hoe hoger deze verhouding hoe meer stikstof in dierlijke mest er samen met de toelaatbare hoeveelheid fosfaat via dierlijke mest geplaatst mag worden. Door voeding kan op de verhouding in het gehalte in de mest gestuurd worden.


Vanaf 2020 zijn ook bedrijven in de BES opgenomen met lagere gewasopbrengst dan de veehouders die in het begin bij de pilot waren aangesloten en soms ook lagere gewasopbrengst dan forfaitair. Hierbij behoren ook bedrijven die bedrijfsspecifiek niet meer stikstof en fosfaat kunnen plaatsen dan volgens generieke gebruiksnormen.


De resultaten van de gebruiksnormen geven een beeld van de aanzienlijke spreiding in gebruiksruimte die bedrijfsspecifiek correspondeert met toelaatbare overschotten voor stikstof en fosfaat. Daarmee geeft deze spreiding ook aan hoezeer generieke normen juist niet corresponderen met toelaatbare overschotten.


Een BES-norm die bijvoorbeeld 38 kilo fosfaat per hectare lager is dan de generieke norm, geeft aan dat generiek jaarlijks onbedoeld 38 kilo fosfaat per hectare wordt overbemest ten opzichte van fosfaatevenwichtsbemesting. Anderzijds betekent een BES-norm die 33 kilo hoger is dan generiek dat generiek onbedoeld 33 kilo fosfaat per hectare meer wordt onttrokken ten opzichte van fosfaatevenwichtsbemesting. Het zou, gelet op deze overschotten, milieukundig en landbouwkundig voordelen opleveren als deze bedrijfsspecifieke werkwijze goed gecontroleerd zou kunnen worden toegepast.

Bron: Wageningen University & Research, 10/01/2024
Publicatie: 11-01-2024