Wijziging nationaal mestproductieplafond
Meststoffenwet
De maximale hoogte van de nationale mestproductie, uitgedrukt in stikstof en fosfaat, is vastgelegd in de Meststoffenwet. Hierin staat nu nog dat de totale omvang van de productie van dierlijke meststoffen per jaar ten hoogste 504,4 miljoen kg stikstof respectievelijk 172,9 miljoen kg fosfaat mag bedragen. Dit dient nog in lijn te worden gebracht met de voorwaarden uit de derogatiebeschikking van 2022. Hiervoor gaat LNV eerst een ministeriële regeling treffen, omdat een wetswijzging te lang duurt. Deze ministeriële regeling laat het nationale mestproductieplafond in de Meststoffen per 1 januari 2024 aansluiten bij het nationale mestproductieplafond uit de derogatiebeschikking van 489,4 miljoen kg stikstof en 150,7 miljoen kg fosfaat.
Voor de verdere verlaging met 10% per 1 januari 2025 zet LNV in op een wetswijziging van de Meststoffenwet zodat daar het nationale mestproductieplafond in wordt teruggebracht naar 440,0 miljoen kg stikstof en 135,0 miljoen kg fosfaat.
Sectorale mestproductieplafonds
De voorwaarden in de derogatiebeschikking geven alleen de maximale hoogte van de totale mestproductie in Nederland. Er zijn geen voorwaarden gesteld aan de maximale mestproductie per veehouderijsector. De optelling van deze sectorale mestproductieplafonds, zoals vermeld in de Meststoffenwet, mag echter niet meer zijn dan het nationale mestproductieplafond. Voor stikstof is dit ook niet het geval, maar voor fosfaat wel en de sectorale mestproductieplafonds dienen dan ook in lijn te worden gebracht met de hoogte van het nationale mestproductieplafond uit de derogatiebeschikking. Daarom zal LNV per 1 januari 2024 de hoogte van de mestproductieplafonds voor melkvee, varkens en pluimvee gelijkstellen aan de door deze sectoren werkelijk geproduceerde hoeveelheid mest in 2020, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en fosfaat.
De hoogte van de sectorale mestproductieplafonds zal daarna nog verder naar beneden moeten worden bijgesteld om aan te sluiten bij het per 1 januari 2025 geldende, lagere nationale mestproductieplafond. Daarbij zijn meerdere keuzes voor de verdeling van de verlaging tussen de sectorale mestproductieplafonds mogelijk. Dit vergt een nadere afweging en gesprek van LNV met de betrokken sectoren.
Gevolgen gewijzigde mestproductieplafonds
In tabel 1 zijn de wijzigingen van het nationale mestproductieplafond en de sectorale mestproductieplafonds samengevat. De in de tabel opgenomen nationale mestproductieplafonds voor 2024 en 2025 zijn de mestproductieplafonds (uitgedrukt in stikstof respectievelijk fosfaat) zoals die vanwege de derogatiebeschikking gelden. De in de tabel opgenomen sectorale mestproductieplafonds voor 2024 betreffen de daadwerkelijk door de sectoren geproduceerde hoeveelheid mest in 2020, uitgedrukt in stikstof respectievelijk fosfaat. De sectorale mestproductieplafonds voor 2025 zijn nog te bepalen. In de tabel is ook de verwachte mestproductie van 2023 weergegeven.
Tabel 1: Overzicht van wijziging van de mestproductieplafonds per 1 januari 2024 en per 1 januari 2025, de verwachte mestproductie in 2023
1) Voor ‘overig’ geldt geen mestproductieplafond; daarvoor resteert de productieruimte die het verschil is tussen het nationale mestproductieplafond enerzijds en de sectorale mestproductieplafonds voor melkvee, varkens en pluimvee anderzijds.
2) Nader te bepalen.
Bron: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2023D47899
Uit tabel 1 blijkt dat de verwachte mestproductie in 2023 voor zowel stikstof en fosfaat lager lijkt uit te komen dan het nationale mestproductieplafond van 2024. Bij de mestproductie door de sectoren lijkt alleen de fosfaatproductie door melkvee in 2023 hoger uit te komen dan het sectorale mestproductieplafond zoals die per 1 januari 2024 gaat gelden.
Wordt de verwachte nationale mestproductie 2023 echter afgezet tegen het nationale mestproductieplafond zoals dat vanaf 2025 geldt, dan wordt bij ongewijzigde mestproductie het in 2025 geldende nationale plafond naar verwachting overschreden, zowel voor stikstof (+ 7%) als voor fosfaat (+ 9%). Of dat ook voor de sectorale mestproductieplafonds het geval zal zijn, valt nu nog niet te zeggen omdat deze voor 2025 en verder nog niet zijn vastgesteld. LNV verwacht dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de nationale mestproductie in 2025 daadwerkelijk boven het per 1 januari 2025 geldende nationale mestproductieplafond uitkomt.
Aanvullende maatregelen
Over de extra aanvullende maatregelen, zoals bijvoorbeeld de mate van verhoging van het afromingspercentage bij overdracht van fosfaatrechten, gaat LNV het gesprek aan met sectorpartijen. Daarbij is de insteek gericht op het voorkomen van een generieke korting op fosfaatrechten om te voldoen aan de mestproductieplafonds uit de derogatiebeschikking. In die gesprekken worden ook de overige NPLG-doelen meegewogen. Deze gesprekken wil LNV voor de zomer van 2024 afronden.
Vooruitlopend daarop neemt LNV nu al een aantal besluiten, gericht op het voorkomen dat de mestproductie toe kan nemen. Concreet gaat het dan om uitstel van de actualisatie van de excretieforfaits voor melkvee en het voorlopig afzien van het openstellen van de fosfaatbank.
