Beschouwing over spoor 2 toekomstig mestbeleid
Contouren van een toekomstig mestbeleid
Het oorspronkelijke idee van de ‘contouren van een toekomstig mestbeleid’ was dat er voor de veehouders een ‘alles of niets-situatie’ gaat ontstaan: hij heeft oftewel genoeg grond voor alle geproduceerde mest, en anders voert hij alle mest af. Melkvee- en vleesveehouders hebben hierin geen keuze: die moeten grondgebonden worden.
In dit plaatje zou de mest van grondgebonden veehouderijbedrijven niet meer op de markt komen, die blijft op het eigen bedrijf.
Een niet-grondgebonden veehouder moet al zijn mest afvoeren en laten verwerken; als deze veehouders percelen eigen grond hebben mogen ze die uiteraard wel bemesten, maar niet met de mest van hun eigen bedrijf.
De niet-veegebonden akkerbouw- en tuinbouwbedrijven kunnen in dit model een afspraak maken met grondgebonden veehouders uit de regio of anders meststoffen vanuit de mestverwerking ontvangen.
In de tussentijd zijn er tal van discussies gevoerd, en lijkt het erop dat de definitie van grondgebondenheid anders wordt. Nu wordt gedacht aan een verplicht areaal grasland per koe (GVE). Dit heeft ook consequenties voor de uitwerking van de tweede pijler (100% mestverwerking) en de akkerbouw en tuinbouw.
Beeldvorming door NCM
Een belangrijke vraag die snel naar voren kwam is: wat wordt er eigenlijk bedoeld? Welke doelen worden beoogd en hoe kunnen deze doelen via ‘100% afvoer en mestverwerking’ worden bereikt? En wat betekent dat dan in de praktijk?
De stuurgroep ‘stallen en mestverwerking’ van Coviva heeft NCM om advies gevraagd. Hiervoor hebben we documenten bestudeerd en ruim twintig vraag- en discussiegesprekken gevoerd met (groepen van) deskundigen uit de landbouw, de mestverwerking, van overheden en van diverse andere organisaties.
Huidige definitie voldoet niet
Ook nu al is er sprake van een verplichte mestverwerking. Dit beleid, zo’n tien jaar geleden ingezet, heeft als achterliggend doel om de fosfaatbalans van de Nederlandse landbouw in evenwicht te brengen door overschotten verplicht te exporteren.
Gezien de doelen die nu worden nagestreefd en gezien de recente en te verwachten ontwikkelingen op de landelijke mestmarkt, vinden wij dat deze definitie aangepast moet worden.
Beoogde doelen: kringlooplandbouw en eerlijke mestketen
Uit de analyse blijkt dat er met 100% mestverwerking vier doelen en twee randvoorwaarden worden nagestreefd:
- Hoogwaardige producten
- Lage emissies uit mest naar het milieu
- Kringlopen sluiten, zo dichtbij, zo hoogwaardig en zo volledig als mogelijk
- Transparante en geborgde keten
- Zo eenvoudig mogelijk beleid, om kosten voor zowel overheid als bedrijfsleven beperkt te houden
- Ruimte voor innovatie, wetgeving mag betere oplossingen niet in de weg staan
Er worden dus verschillende doelen nagestreefd, die niet allemaal direct gerelateerd zijn aan het primaire doel van het mestbeleid: de waterkwaliteit.
De geschetste doelen worden breed onderschreven, waarbij van het doel ‘hoogwaardige producten’ de mening overwegend is dat dit aan de markt moet worden overgelaten. Belangrijk in deze is om de meststoffen te gebruiken in gebieden met schaarste. In het rapport worden de doelen en randvoorwaarden nader besproken.
Wel is er discussie over de strakke scheiding tussen de eerste twee pijlers: sommige (zeker niet alle) organisaties hebben nadrukkelijk de behoefte aan een derde pijler, waarbij veehouders met een mestoverschot hun eigen percelen toch met eigen mest mogen bemesten. Zo’n extra mogelijkheid ten opzichte van de oorspronkelijke gedachte heeft nogal wat gevolgen voor de uitvoering en ook voor het bereiken van de doelen. Ons idee is dat, mocht men hier voor kiezen, van veehouders die voor deze mogelijkheid opteren een extra verantwoording van de meststromen wordt gevraagd, ook van de mest die op het eigen bedrijf blijft.
Erkende bedrijven
Op dit moment hebben mestverwerkers, de bedrijven die onbewerkte mest verwerken tot andere producten, niet echt een status. Een mestverwerkingsovereenkomst is er namelijk pas als de vracht mest in het buitenland wordt gelost en de mestbon op de juiste manier is geregistreerd.
In deze beschouwing is het advies om dat te veranderen. In dit model is de niet grondgebonden veehouder verplicht om alle mest (of bij een derde spoor alle overschotmest) te leveren aan een erkend bedrijf. Omdat het om 100% gaat zal er geen sprake meer zijn van VVO's.
Het erkende bedrijf (de mestverwerker) krijgt hierbij een aantal verplichtingen. Als eerste is hij verantwoordelijk voor een correcte afzet van de meststoffen; hiervoor moet het bedrijf transparant zijn over bijvoorbeeld de stikstof-, fosfaat- en massabalans.
Daarnaast kunnen andere eisen worden gesteld. Suggesties die geopperd worden zijn:
- een minimaal percentage dat buiten een concentratiegebied wordt afgezet;
- meststoffen leveren die tot lage ammoniak- en andere gasvormige verliezen leiden bij het aanwenden, af te leiden van analyses van mestmonsters.
Bij zowel overheden als het bedrijfsleven is er veel draagvlak om met kwaliteitssystemen (certificering) te werken. Dit wordt als praktischer, flexibeler, beter en goedkoper gezien dan dat alles via de overheid wordt geregeld.
Het rapport met daarin uitgebreide toelichtingen op deze beknopte samenvatting is hier bijgevoegd.
NCM dankt hierbij alle bevraagde personen voor de interessante gesprekken, en in het bijzonder de stuurgroep Stallen en Mestverwerking van Coviva.