Derogatiebedrijven 2022: zowel stikstofoverschot als nitraat fors verbeterd
Het RIVM en Wageningen Economic Research meten sinds de start van de derogatie in 2006 elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve, eerder positieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Dit komt door de voorwaarden waar de deelnemende bedrijven aan moeten voldoen, zoals de verplichting om minimaal 80% grasland te hebben.
Na een jarenlange daling van de nitraatconcentraties waren deze de afgelopen jaren weer gestegen, vooral in de zandregio. De stijging komt waarschijnlijk door de droogte van 2018 tot en met 2020.
Droogte is op verschillende manieren van belang. Het gewas groeit minder goed waardoor er minder stikstof wordt opgenomen en het verlies dus groter is. Daarnaast vindt er dan minder denitrificatie (het omzetten van nitraat in de bodem naar N2) plaats. Ook is er minder water in de bodem aanwezig waardoor bij een gelijk aantal kilogrammen nitraat de concentratie toch hoger wordt.
Zandregio: Stikstofoverschot relatief laag, toch meer nitraat
In 2021 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 229 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mocht toen 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit mest van graasdieren gebruiken: op de zand- en lössgronden in Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg was de norm 230 kg stikstof, in de rest van Nederland 250 kg.
Inmiddels is het besluit genomen om de derogatie af te bouwen richting 2026 en is de norm dit jaar al lager (de voorwaarden zijn op de website van RVO te vinden).
Door verbeteringen in de bedrijfsvoering en door aanpassingen in wetgeving wordt de dierlijke mest steeds efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Sinds het begin van de monitoring in 2006 is het stikstofoverschot daardoor gedaald. Het gemiddelde stikstofbodemoverschot was 144 kilogram per hectare in 2021 en is daarmee het laagste van alle gemeten jaren.
De nitraatconcentratie in Zand 250 en de Klei, Veen- en Lössregio lag gemiddeld lager dan de nitraatnorm van 50 mg/l. Alleen in Zand 230 kwam de gemiddelde nitraatconcentratie boven de norm uit. De nitraatconcentratie in deze regio was 68 mg/l.
Er is een duidelijk verschil in nitraatconcentratie in het grondwater tussen Zand 230 en Zand 250: respectievelijk 68 en 38 mg/l.
Dit kan worden verklaard door het hogere aandeel drogere percelen in de zuidelijke provincies. Ook komen er in de noordelijke provincies (Zand 250) meer veenachtige en moerige zandgrond voor, waardoor de denitrificatie hoger is. Dit wordt ondersteund door de waarneming dat het stikstofoverschot (het verlies per hectare) nagenoeg gelijk is in beide regio’s.
In de klei- en veengebieden is het stikstofoverschot nog hoger, maar toch was het nitraatgehalte veel lager met respectievelijk 18 en 9 milligram nitraat per liter grondwater in 2022.
Voor de totale stikstof (ammonium en nitraat bij elkaar) en het fosfaat in het grondwater liggen de verhoudingen tussen zand, veen en klei trouwens geheel anders. Zo was in 2022 de gemeten fosfaat in het slootwater in klei en veen twee à drie maal zo hoog als bij zandgronden.
Het gehele rapport met daarin veel meer informatie, onder andere over langjarige ontwikkelingen, is te downloaden op de website van het RIVM.
Samenvatting uit meerdere tabellen in het rapport