Gemeente Veendam mocht mestvergistingsbedrijf geen dwangsom opleggen
In juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam aan een exploitant van een mestvergistingsinstallatie in Borgercompagnie een last onder dwangsom opgelegd in verband met de geurhinder. Daarbij werd in augustus 2017 een bedrag van 25.000 euro ingevorderd. De ondernemer vocht dat aan bij de rechter, maar werd in het ongelijk gesteld. In hoger beroep bij de Raad van State wordt echter vastgesteld dat de gemeente geen last onder dwangsom mocht opleggen om dat de geurnormen in de verleende vergunning voor de installatie ontbreken.
De Raad van State stelt dat op grond van vergunningen die in 2005, 2011 en 2012 zijn verleend en meldingen die in 2005, 2006 en 2008 zijn geaccepteerd, de ondernemer toestemming had om mest te vergisten, het digestaat op te slaan en te behandelen en het biogas te benutten voor hetopwekken van elektriciteit. Weliswaar is hiermee geen ‘geurruimte’ vergund, maar een aantal vergunde activiteiten hangt onlosmakelijk samen met zekere geuremissies. Deze geuremissies vormden destijds geen beletsel de gevraagde vergunningen te verlenen. De Ondernemer moet er dan op kunnen vertrouwen dat, wanneer hij overeenkomstig de vergunningen handelt, de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft.
Bovendien heeft het college van Veendam bij de handhavingsprocedure en het bepalen van het aanvaardbare geurhinderniveau niet inzichtelijk gemaakt of de gestelde geurnormen, die zijn afgeleid van het provinciaal geurbeleid, bij een normale bedrijfsvoering kunnen worden nageleefd door de ondernemer, zonder dat hij daarvoor maatregelen moet treffen die van hem redelijkerwijs niet kunnen worden gevraagd. Daarom vindt de Raad van State dat het college het voor de installatie geldend aanvaardbaar geurhinderniveau niet zorgvuldig heeft vastgesteld. Het opleggen van een last onder dwangsom wegens overschrijding van dat geurhinderniveau is daarom in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Zie voor meer informatie de uitspraak van de Raad van State.
Bovendien heeft het college van Veendam bij de handhavingsprocedure en het bepalen van het aanvaardbare geurhinderniveau niet inzichtelijk gemaakt of de gestelde geurnormen, die zijn afgeleid van het provinciaal geurbeleid, bij een normale bedrijfsvoering kunnen worden nageleefd door de ondernemer, zonder dat hij daarvoor maatregelen moet treffen die van hem redelijkerwijs niet kunnen worden gevraagd. Daarom vindt de Raad van State dat het college het voor de installatie geldend aanvaardbaar geurhinderniveau niet zorgvuldig heeft vastgesteld. Het opleggen van een last onder dwangsom wegens overschrijding van dat geurhinderniveau is daarom in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Zie voor meer informatie de uitspraak van de Raad van State.
Bron:
Raad van State, 24/04/2019
Publicatie: 25-04-2019