Wetenschappers doen voorstel voor alternatieve benadering van stikstofbeleid

De wetenschappers Jan Willem Erisman, Chris Backes en Wim de Vries hebben op verzoek van minister Van der Wal voor Natuur en Stikstof een essay opgesteld dat dient als input voor de verkenning naar een alternatief voor de rol van de kritische depositiewaarde in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Aan de landbouw- en natuurorganisaties en provincies die deelnemen aan de verkenning is gevraagd om op de inhoud van het essay te reageren. Daarbij hebben zij ook de mogelijkheid om eigen alternatieven naar voren te brengen. De eerste werksessie staat gepland op 17 april.

De wetenschappers stellen dat er geen alternatief voor de kritische depositie waarde is. Alternatieve maten voor de effecten van de stikstoftoevoer op natuur zijn ofwel wetenschappelijk niet geschikt of leiden mogelijk tot onhaalbare doelen omdat het effect van decennia overmaat in de methode zit opgesloten. Gebiedsspecifiek onderzoek naar de staat van instandhouding, waarbij per gebied moet worden vastgesteld in hoeverre stikstof een rol speelt bij een ongunstige status of trend, is praktisch onuitvoerbaar.


Erisman, Backes en De Vries vinden dat de Wet Natuurbescherming maar moet worden aangevuld met wettelijke emissiedoelstellingen voor ammoniak en stikstofoxiden voor de sectoren en individuele bedrijven. Naast emissiereductie is ook beleid nodig voor de standplaatscondities, zoals beheer, waterbeschikbaarheid en recreatiedruk om te zorgen dat aan instandhoudingsdoelen worden voldaan.


De wetenschappers doen ook een voorstel voor een alternatieve benadering van het stikstofbeleid, waarbij duidelijker wordt benadrukt dat de kritische depositiewaarde alleen een tot de overheid gerichte doelstelling is, terwijl de implicaties ervan worden geconcretiseerd op basis van emissiereductie-eisen voor ammoniak en stikstofoxiden, aangevuld met eisen voor het stikstof- en fosfaatbodemoverschot en broeikasgasemissies voor sectoren en bedrijven. Als deze doelen voor sectoren en individuele bedrijven voor de lange termijn bindend vaststaan en het bereiken van de doelen goed wordt gemonitord en gehandhaafd, hoeft geen berekening van de depositie van een nieuwe activiteit op een overbelast gebied meer plaats te vinden.


Deze nieuwe manier van aansturing definieert duidelijk de emissiereducties waarvoor elke sector en elk bedrijf verantwoordelijk zijn. Daarmee wordt ook helder vastgesteld, dat de sectoren afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor het halen van emissiereductiedoelen maar niet verantwoordelijk zijn voor het bereiken van de tot de overheid gerichte doelstelling uit de Wet Natuurbescherming die aan de kritische depositiewaarde gerelateerd is. Op die manier ontstaat er een duidelijk handelingsperspectief voor boeren en andere sectoren.


Het voorgestelde aanvullende instrumentarium geeft voor de landbouw een lange termijn perspectief, rechtszekerheid en laat sectoren maximale ruimte om te bepalen hoe de doelstellingen worden bereikt. Welke maatregelen moeten worden genomen kan de sector en kunnen de individuele bedrijven het beste zelf bepalen. Wel is gewaarborgd dat de doelen goed te monitoren zijn en dat handhaving eenvoudig is.


Erisman, Backes en De Vries willen dat de mogelijkheid om te salderen tussen ammoniakuitstoot en de uitstoot van stikstofoxiden verdwijnt. Ze bepleiten te aanzien van ammoniak een vertaling van de reductiedoelstelling naar ieder bedrijf, mogelijk verdeeld over de grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven. Ook voor waterkwaliteit en voor broeikasgasemissies moeten er concrete normen voor de landbouw komen.


Normering op bedrijfsniveau kan op verschillende manieren worden bepaald. Voor ammoniak gaat het om een vertaling van gebiedsnormen naar bedrijven. De wetenschappers geven een voorbeeld voor normering voor grondgebonden bedrijven voor het stikstof- en fosfaatbodemoverschot, gebaseerd op de relatie met een toelaatbare uit- en afspoeling, de uitstoot van ammoniak per hectare en de uitstoot van de broeikasgassen CO2, lachgas en methaan uitgedrukt in CO2-equivalenten per hectare, waarbij het beleid integraal stuurt op het halen van de doelen die voor 2025 en 2030 worden vastgelegd en voor 2050 moeten worden ontwikkeld.


Voor niet-grondgebonden bedrijven kan bijvoorbeeld een norm per bedrijf of per dier worden afgeleid. De agrariër bepaalt zelf hoe zij of hij aan de normen wil voldoen Kritische prestatie indicatoren zijn geschikt om te zorgen dat maatregelen integraal naar alle doelen sturend zijn en de voortgang gemonitord kan worden. Het systeem kan ook ten grondslag worden gelegd aan een passende beloning. In een randzone rondom overbelaste gebieden waarin een significante relatie is te leggen tussen een emissiebron en de plaatselijke overbelasting kan een norm met hogere reductiedoelen gelden.


Het essay 'Van depositie- naar emissiebeleid' is te raadplegen op de website www.aanpakstikstof.nl.

Bron: Ministerie van LNV, 13/04/2023
Publicatie: 14-04-2023