Bemesten zonder derogatie vraagt om andere mestverdeling

Als de derogatie wegvalt, hebben melkveehouders straks gemiddeld 20 m3 rundveedrijfmest per hectare minder voor hun gewassen beschikbaar dan bij volledige derogatie, zoals in 2022. Dat maakt een goede mestverdeling belangrijker. Vanwege onder andere de nawerking van stikstof, is het advies voor maximale nutriëntenbenutting, om de mesttoediening nog meer naar de eerste helft van het groeiseizoen te schuiven. 

Het vervallen van derogatie heeft effect op de bemesting en gewasopbrengsten op een melkveebedrijf. Het verschil aan werkzame stikstof, fosfaat en kalium kan binnen de gebruiksnormen grotendeels worden aangevuld met kunstmest. Als de gebruiksnorm voor stikstof gelijk blijft, heeft dit beperkt effect op opbrengst en kwaliteit.


Als de stikstofgebruiksnorm lager wordt, zoals de verwachting is in de met 'nutriënten verontreinigde gebieden', zal de opbrengst en kwaliteit van het geteelde voer wel dalen. Of de aanvulling van stikstof na 2026 met kunstmestvervangers verkregen vanuit dierlijke mest kan, is nog onzeker.


Een punt van zorg voor de overheid is het percentage blijvend grasland in Nederland. Dit mag ten opzichte van het referentiejaar 2018 niet met meer dan 5% dalen. Door het wegvallen van derogatie vervalt ook de 80% gras-eis en komt er meer ruimte voor bouwland op deze bedrijven. Het is echter niet per se economisch voordelig om naar een bedrijfsopzet met meer bouwland of mais te streven, of om minder te gaan weiden.


Op bedrijven met bouwland of maisland bestaat er een risico van een dalend organische stofgehalte omdat de aanvoer van rundveemest lager wordt. Het verbouwen van goede groenbemesters en het telen van mais in een vruchtwisseling met tijdelijk gras is dan extra belangrijk. Door het tijdelijke grasland met gras-rode-witte klaver in te zaaien, wordt het verlies aan organische stof nog extra beperkt.

Bron: Verantwoorde Veehouderij, 27/02/2023
Publicatie: 28-02-2023