Voer-mestkringloop van varkenshouderij is voor fosfaat ongeveer gesloten
De Nederlandse landbouwgrond levert circa 70% van de energiebehoefte in het diervoer voor de rundveehouderij en samen met restproducten uit de levensmiddelenindustrie voorziet Nederland in 80% van die energiebehoefte. Voor de intensieve veehouderij zijn de percentages respectievelijk 15% voor de varkens en 5% voor de kippen. De varkenshouderij betrekt op droge stof basis ongeveer 30-35% van het voer uit granen, 15-20% uit restproducten van granen, circa 30% uit oliezaden en 20% uit andere gewassen en reststoffen.
De voergranen voor de Nederlandse varkens bestaan voor 85% uit tarwe en gerst afkomstig uit Duitsland, Frankrijk en België maar ook ongeveer 10% uit Nederland. Circa 15% van het voergraan voor varkens is korrelmaïs afkomstig vooral uit Frankrijk, Oekraïne en Noord- en Zuid-Amerika. Uit die laatste regio's wordt ook het grootste deel van de oliezaden geïmporteerd, waarvan het sojaschroot vooral uit Zuid-Amerika. De herkomst van krachtvoercomponenten voor pluimvee is vergelijkbaar met die voor varkens.
In 2019 en 2020 wordt jaarlijks ruim 18 miljoen kilo fosfaat in varkensmest geëxporteerd naar Duitsland, Frankrijk en België wat overeenkomst met circa 40% van de geproduceerde mest. De retourstroom van fosfaat in mest in 2019 en 2020 komt overeen met 70% tot 100% van de schatting van de fosfaatimport via in graan varkensvoer uit Europa en dan vooral uit Duitsland, Frankrijk en België. Volgens de hoge schatting, zou de voer-mestbalans tussen deze drie graan exporterende landen en de Nederlandse varkenshouderij voor fosfaat ongeveer zijn gesloten.
Onbekend is of de fosfaat in de geëxporteerde mest ook daadwerkelijk wordt aangewend voor de teelt van voergranen in de drie landen en deels is het fosfaat in de varkensmest afkomstig uit soja uit Amerika. Een gesloten voer-mest kringloop betekent overigens niet dat de nationale fosfaatkringloop is gesloten. In de balans is geen rekening gehouden met de exportstroom van fosfaat in varkensvlees.