Is mest een braakliggende goudmijn?

Innovatieve technieken om mest te verwerken en tot waarde te brengen liggen klaar op de plank. Via de projecten 'NL Next Level Mestverwaarden' en 'PPS Betere Stal, Betere Mest, Betere Oogst (BSMO)' wordt dit wetenschappelijk onderbouwd en bevestigd. Een tweeluik over de mogelijk- en onmogelijkheden van mest. Deze week deel 2: de visie van Niels Kanters (ZLTO).

Uit mest maken we nu al kunstmestvervangers, bodemverbeteraars en groene energie. Met nieuwe technieken worden methaan, stikstof en CO2 afgevangen en de geproduceerde meststoffen zorgen voor minder emissies naar lucht en grond- en oppervlaktewater. Burgers ervaren geen geuroverlast en de waardevolle nutriënten blijven behouden voor de productie van ons voedsel. De grote winnaar: de maatschappij in de volle breedte. Inclusief natuur, milieu en klimaat.
Toekomstmuziek? Volgens Niels Kanters is het een kwestie van doorpakken en benutten van wat al kan. Als belangenbehartiger Kringlooplandbouw/Mest bij ZLTO richt Kanters zich op de verwerking en verwaarding van mest.

Momenteel lopen er diverse mestprogramma’s met Wageningen Universiteit als uitvoerder en ZLTO als een van de deelnemers. Zo ook de publiek-private samenwerking BSMO (Betere stal, betere mest, betere oogst). Doel is in de keten van stal tot akker integrale oplossingen te vinden voor circulaire landbouw met hoogwaardige meststoffen en lage emissies van stikstof en broeikasgassen.
‘Een mooi voorbeeld van duurzaam en circulair gebruik van mestverwaarding is akkerbouwer Theo Verhoeven uit Milheeze,’ vertelt Niels Kanters. ‘Verhoeven gebruikt de dunne fractie van mestverwerker Kumac als kunstmestvervanger. Die injecteert hij op het land heel precies tussen de rijen, waardoor er nagenoeg geen verliezen naar de lucht of water zijn. Er komt nauwelijks geur bij vrij. Zo haalt hij een emissiereductie tot wel 90 procent.’

Verdienmodel
Volgens Kanters is mestverwerking echt volwassen geworden. ‘Het thema krijgt extra aandacht door de huidige energiecrisis. De energieprijzen zijn een impuls voor het verdienmodel waardoor dit niet meer afhankelijk is van alleen de mestmarkt. Dat vergroot de dynamiek in de markt. Initiatieven komen sneller van de grond en dat is een goede ontwikkeling.’

Stel dat de vergunningverlening geen probleem zou zijn. Wat zou brede toepassing van mestverwerkingstechnologie voor de Nederlandse boeren kunnen betekenen? Kanters: ‘Die zouden via deze weg hun bijdrage leveren aan de maatschappelijke opgaven voor de reductie van stikstof en methaan en de productie van groene energie. Daarmee geven zij een positieve impuls aan natuur, klimaat en milieu. Kringlopen worden verder gesloten en het helpt mee aan de energietransitie. Een win-winsituatie.’ 

‘Deze winst kan alleen geboekt worden als er ruimte komt voor integrale oplossingen op bedrijfsniveau. Daarvoor is passende regelgeving nodig en een acceptabel verdienmodel. De investeringen zijn namelijk substantieel en moeten worden terugverdiend met lagere mestafzetkosten, besparing op de aankoop van kunstmest of de verkoop van groen gas. Dit is voor elk bedrijf anders, maar in die combinatie zit het verdienmodel.’

Schaalgrootte
Een zekere schaalgrootte is voor monovergisting wel nodig. Kanters. ‘Er zijn twee sporen. Je hebt monovergisting waarmee je uit het geproduceerde biogas warmte en elektra produceert. Dat spoor is laagdrempeliger omdat je niet de kosten hebt van het opwaarderen van biogas naar groen gas, een stap die kleinere bedrijven zich kunnen permitteren.

Groengasproductie is van een ander niveau. Dan is de investering serieus hoger en kan de omvang beperkend zijn. Tenzij je samenwerkt in een biogashub of met bedrijven als Groenewoud Gas. Hier komt de mest van 15 melkveehouders bij elkaar en wordt er groen gas geproduceerd. Soms wordt monovergisting onterecht gezien als bron van extra geur. Mits juist uitgevoerd is geur te verwaarlozen, want de mest zit in een gesloten systeem.’

‘Op bedrijfsniveau biogas maken en elders opwaarderen naar groen gas kan ook. Die stap is de bottleneck als je te klein bent in omvang. Er zijn inmiddels voorbeelden van een centrale biogashub die groen gas maakt op basis van biogas van meerdere leveranciers. Zo kun je zonder centrale vergister toch voldoende volume organiseren. Er zijn dus meerdere smaken om daar invulling aan te geven.’

De ZLTO-belangenbehartiger licht toe hoe deze aanpak leidt tot stikstofreductie. ‘In een traditioneel systeem met drijfmest heb je als melkveehouder 32 kg ammoniakuitstoot per koe per jaar. Volg je het traject van een monovergister en een stikstofstripper dan zakt dat naar 13 kg. Een forse reductie die met vloeraanpassing niet wordt gerealiseerd.’

Integraal beleid
Het kan toch niet anders of dit klinkt de provincie en het kabinet als muziek in de oren? Kanters: ‘Via deze route zet je stappen op alle belangrijke maatschappelijke thema’s: natuur, klimaat en milieu. Boeren zijn van waarde! Hoe mooi zou het zijn als je daarmee je bedrijfsvoering kunt veiligstellen.’

Waar staat ZLTO in dit dossier? Niels Kanters: ‘Het huidige beleid (van provincie Noord-Brabant, red.) om per 1 januari 2024 de oudere stallen op die ammoniakreductie te krijgen, leidt tot eendimensionale oplossingen, waarmee de potentie van integrale oplossingen niet wordt benut. Dit is een belangrijk signaal dat ZLTO wil afgeven. Want wat doen ondernemers dan? Varkenshouders plaatsen een luchtwasser en melkveehouders leggen een vloer. Maar dat is volledig gericht op ammoniak en doet niks met andere emissies die je zou kunnen reduceren. Dus het stallenbeleid staat in onze optiek bijna haaks op het potentieel dat integrale oplossingen te bieden hebben.’

Niels Kanters besluit: ‘Ook de datum van 1 januari 2024 is een doorn in het oog. Ondernemers worden gedwongen te investeren, terwijl niet duidelijk is welke opgaves er nog meer worden gevraagd vanuit het Nationaal Plan Landelijk Gebied. Het kan dus betekenen dat ondernemers nu keuzes moeten maken die in 2024 al niet meer blijken te passen. Dat is niet uit te leggen.’


Auteur: Ko van den Boom
Bron: NIeuwe Oogst
Publicatie: 29-08-2022