‘Precisiebemesting met dierlijke mest is behoorlijk complex’
De moeilijkste stap bij precisiebemesting is het vertalen van de waargenomen variatie in een taakkaart voor variabele stikstofbemesting. Hier moet met veel verschillende factoren rekening worden gehouden. Naast de stikstofvoorraad in de bodem moeten hierbij ook de stikstofmineralisatie en optimale stikstofopname zo goed mogelijk ingeschat worden om te kunnen berekenen hoeveel stikstof er op elke plaats binnen het perceel moet worden toegediend. Ook de weers- en groeiomstandigheden tijdens het verdere groeiseizoen hebben hier invloed op.
Bij verschillende veldproeven bleek dat zones met een lager en hoger opbrengstpotentieel wisselden in 2020 en 2021, vanwege een verschil in weersomstandigheden. Bij teelten waarbij het grootste deel van de bemesting voor het zaaien of planten wordt toegediend, is er maar een beperkte bijsturing mogelijk op basis van de weersomstandigheden. Bij andere veldproeven waren de zones met een lager en hoger opbrengstpotentieel wel consistent over de verschillende jaren, waardoor hier wel eenzelfde bemestingsstrategie kon worden aangehouden.
Bij alle proefvelden werden telkens zones met een lager en hoger opbrengstpotentieel afgebakend op basis van de verzamelde historische data. In deze ‘slechtere’ en ‘betere’ zones werden vervolgens 3 verschillende stikstofbemestingstrappen aangelegd om na te gaan of het verstandig is om meer of minder te bemesten in de zones met een lager of hoger opbrengstpotentieel. Het antwoord bleek echter verschillend voor verschillende percelen en afhankelijk van onder andere de oorzaak van het verschil in opbrengstpotentieel.
De komende 2 projectjaren zullen er nog meer proefvelddata worden verzameld en zal nog verder onderzoek worden gedaan naar de vertaling van waargenomen variatie in taakkaarten voor meer precieze stikstofbemesting.