Last onder dwangsom voor mestverwerkingsbedrijf was gerechtvaardigd

Op 17 april 2020 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aan een mestverwerkingsbedrijf een last onder dwangsom opgelegd van 1.500 euro opgelegd per  vracht met mest die het bedrijf aanvoerde, tot een maximum bedrag van 150.000 euro. De Raad van State stelt in een uitspraak op woensdag 23 maart dat die maatregel gerechtvaardigd was en laat daarmee een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant in stand. 

Het provinciebestuur wilde via een last onder dwangsom voorkomen dat het mestverwerkingsbedrijf in 2020 opnieuw de bepaling in een omgevingsvergunning uit 2014 niet na zou leven. Zowel in 2018 als in 2019 voerde het bedrijf beduidend meer mest aan dan de 36.500 ton die op grond van de vergunning uit 2014 was toegestaan.


Op 7 augustus 2020 heeft het Brabantse college het besluit van 17 april weer ingetrokken, omdat op die dag de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de mestverwerkingsinstallatie werden gewijzigd. In de gewijzigde vergunning kan het bedrijf maximaal 72.000 ton mest per jaar aanvoeren. Het mestverwerkingsbedrijf zegt schade te hebben geleden door het besluit van 17 april 2020.


De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep op 27 oktober 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank meende dat het in april 2020 aannemelijk was dat in 2020 een herhaling zou plaatsvinden van overtreding. Er was wel concreet zicht op legalisering, maar de rechtbank vond dat het provinciebestuur terecht oordeelde dat er gelet op de specifieke omstandigheden geen aanleiding was om niet handhavend op te treden tegen het mestverwerkingsbedrijf. De Raad van State is het eens met dat oordeel.


Meer informatie is te vinden in de uitspraak van de Raad van State.

Bron: Raad van State, 23/03/2022
Publicatie: 31-03-2022