Kennisbericht mestverwerking en gezondheid
Mestbewerkingstechnieken
Er zijn verschillende mestbewerkingstechnieken ontwikkeld, zoals scheiden, vergisten, composteren en hygiëniseren. Deze kunnen in verschillende combinaties worden toegepast in mestbewerkingsinstallaties. De technieken zijn onderverdeeld in open en gesloten systemen. Bij open systemen vindt (een deel van het) proces in contact met het milieu plaats. Bij gesloten systemen is het proces daar (volledig) van geïsoleerd.
Voor elke techniek is in dit kennisbericht een korte beschrijving van de werking gegeven en is beoordeeld wat er bekend is over emissies naar de lucht van fijnstof, endotoxinen, micro-organismen, ammoniak en geuroverlast en over de invloed van die techniek op de aanwezigheid van micro-organismen in de mest.
Omdat er zeer uiteenlopende technieken worden toegepast is het moeilijk een algemene conclusie te trekken. Open systemen kunnen tot emissies naar de lucht van fijnstof, endotoxinen, micro-organismen, ammoniak en geuroverlast leiden. Bij gesloten systemen spelen deze emissies veel minder een rol, maar ook daar kan emissie optreden bij het vullen en legen van de installaties en bij opslag van de grondstoffen of eindproducten.
Zorgen omwonenden
Omwonenden maken zich soms zorgen over toenemende belasting op de (landelijke) leefomgeving en het milieu door schaalvergroting, concentratie van veebedrijven en een groeiend mestoverschot. Wat betreft de mest gaan de zorgen over de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid door blootstelling via lucht of water aan fijnstof, endotoxinen, zoönoseverwekkers, antibioticumresiduen, resistente bacteriën en schadelijke micro-organismen.
Daarnaast ervaren bewoners hinder door geur of geluid. Ook de belasting van de omgeving met veel en zwaar transport van veehouderijen naar de mestbewerkingsinstallaties is reden tot zorg. Tot slot bestaan er zorgen over de veiligheid van de mestbewerkingsinstallaties. Dan gaat het vooral om mogelijke calamiteiten en risico’s van gasvorming (explosiegevaar).
Zoönosen en antibioticumresistentie
Mest bevat zoönoseverwekkers. Onder deze zoönoseverwekkers bevinden zich bacteriën die resistent kunnen zijn tegen antibiotica. Over de mogelijke volksgezondheidsrisico’s van zoönoseverwekkers in mest en mestproducten is op dit moment te weinig bekend om een inschatting van de risico’s voor de gezondheid te kunnen maken. Uitbraken van infectieziekten rond mestbewerkingsinstallaties zijn niet gerapporteerd.
Het opslaan van mest zorgt, net als vergisten en composteren, voor een afname van zoönoseverwekkers. Omdat in Nederland de meeste mest niet bewerkt wordt, maar na opslag wordt uitgereden op het land, is deze afname belangrijk uit oogpunt van het volksgezondheidsrisico.
Een aantal mestbewerkingstechnieken hebben een reducerend effect op de overleving van zoönoseverwekkers. In sommige situaties (composteren) kunnen bepaalde micro-organismen zoals thermofiele bacteriën en schimmels in opgeslagen mest juist beter gedijen.
Vier transmissieroutes van zoönoseverwekkers zijn belangrijk: direct contact met dieren, mest- of mestproducten, het eten van besmet voedsel, het inademen van zoönoseverwekkers en het blootgesteld worden aan zoönoseverwekkers in oppervlaktewater. Hoe deze transmissieroutes zich tot elkaar verhouden, is niet precies bekend. Wel blijkt uit het recent gepubliceerde VGO-onderzoek dat zoönoseverwekkers aanwezig waren in de stallucht en dat niet-ziekteverwekkende micro-organismen naar de buitenlucht werden uitgestoten.
Fijnstof en endotoxinen
Er zijn aanwijzingen dat er bij het aanwenden van mest en bij composteren en drogen/indikken van mest emissies van fijnstof naar de buitenlucht kunnen optreden. Dit fijnstof kan micro-organismen en endotoxinen bevatten. Op dit moment is de hoeveelheid gegevens beperkt. Bovendien zijn de beschikbare gegevens niet representatief voor de Nederlandse situatie. Daarom is het niet mogelijk om vast te stellen welke gezondheidseffecten de eventuele emissies van fijnstof en endotoxinen kunnen hebben. Om de emissies uit deze processen vast te kunnen stellen is een verdere ontwikkeling van meetmethoden vereist en zijn meer metingen nodig.
Geur
Mest bestaat uit een groot aantal verbindingen, waarvan sommige bij zeer lage concentraties al geurhinder kunnen opleveren. Bij elke handeling met mest kan daarom geurhinder ontstaan. Mestopslag in de stal of elders op het bedrijf is mogelijk van belang voor de geuruitstoot, maar gedetailleerde meetgegevens ontbreken. Voor de mestbewerking lijken vooral drogen/indikken en composteren van belang, maar ook daarvan zijn geen representatieve metingen beschikbaar. Ook over de manier waarop omwonenden geur beleven en beoordelen is onvoldoende kennis.
Vergunningverlening, draagvlak en afname van emissies
De voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij het aanwenden en verwerken van mest worden in een vergunningstraject geregeld.
Er is een aantal flankerende maatregelen mogelijk die het bevoegd gezag kan (laten) nemen om tot een betere bedrijfsvoering, emissiereductie en risicoreductie te komen. Via een zorgvuldige bedrijfsvoering en extra maatregelen, die verder gaan dan wat wettelijk verplicht is, kan ook de ondernemer aan maatschappelijke acceptatie van zijn bedrijf werken. Het kan daarbij gaan om maatregelen op het gebied van emissiereductie, verbeteren van de fysieke veiligheid, monitoring en controle, verkeersmaatregelen en communicatie met omwonenden.
Veiligheid omwonenden
Bij mestbewerkingsinstallaties kunnen incidenten en ongevallen optreden. In het verleden is dat ook gebeurd. Bij de meeste mestbewerkingstechnieken zijn er door de aard en hoeveelheid van de aanwezige stoffen geen ongevallen met (ernstige) gevolgen voor omwonenden te verwachten. Het vergisten van mest vormt hierop een uitzondering. Bij grootschalige installaties zijn grote hoeveelheden ontvlambaar en explosief vergistingsgas (biogas) aanwezig. Risicoschattingen voor vergisting geven aan dat de risicocontour voor typische installaties op maximaal 50 meter van de installatie ligt. Meestal zal de risicocontour binnen de grenzen van het bedrijf liggen, maar het is niet uitgesloten dat er binnen die afstand mensen wonen of verblijven.
Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid
Het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid is een samenwerking tussen RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), Wageningen University & Research, Universiteit Utrecht, ZonMw (Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie), GGD (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst), GHOR Nederland (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio), Omgevingsdienst NL en LTO Nederland.
Het doel is om onafhankelijke informatie te leveren over het effect van veehouderijen op de gezondheid van mensen.
