'Hoeveelheid effectieve organische stof in digestaat is nauwelijks lager dan drijfmest'

Als een nadeel van mestvergisting wordt vaak gesteld dat er daardoor minder organische stof in de bodem terecht komt, hetgeen ten koste gaat van  de bodemvruchtbaarheid. Dr. ir. René Cornelissen, directeur van CCS Energie-advies, een bedrijf dat zich actief met mestvergisting bezig houdt, plaatst daar een aantal kanttekeningen bij.

Vergisten is een anaëroob proces, waarbij organische stof deels wordt omgezet in methaan en CO2. Hierdoor neemt het organische stofgehalte in de mest af. Bij vergisting wordt echter vooral de makkelijk afbreekbare organische stof afgebroken, terwijl sommige complexere structuren onaangetast blijven, stelt Cornelissen.


Ook in de stal vindt methaanvorming plaats waardoor het organische stofgehalte in mest vermindert. Bij het direct uitrijden van mest over het land is het gehalte van organische stof instabiel omdat delen van de mest verser zijn dan andere en daarmee in een verschillend stadium van vergisting zitten. Wanneer enkel digestaat wordt uitgereden, is er wel sprake van een stabiel gehalte aan organische stof.


De hoeveelheid beschikbare organische stof in de bodem wordt uitgedrukt in effectieve organische stof, wat gemeten wordt in de hoeveelheid die een jaar na toediening nog aanwezig is in de bodem. Bij drijfmest ligt dat aandeel tussen de 40 en 70% en bij digestaat boven de 75%. Bij praktijktests bleek dat de hoeveelheid effectieve organische stof bij digestaat aanwending niet noemenswaardig lager is dan bij het aanwenden van drijfmest.


De bodemvruchtbaarheid hangt bovendien af van meer zaken dan alleen het organische stof gehalte, benadrukt Cornelissen. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat de werkingscoëfficient voor de stikstof in digestaat gemiddeld 20% hoger is dan die van rundveedrijfmest.

Bron: CCS Energie-advies, 22/03/2022
Publicatie: 23-03-2022