Schouten stelt 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn op enkele punten bij
Schouten wil met ingang van 2022 een permanente commissie instellen die de weersomstandigheden en de gewasontwikkeling monitort en de minister tijdig adviseert over een eventuele afwijking van de verplichte inzaaidatum voor vanggewassen na de maisteelt. Voor overige teelten werkt ze aan een alternatieve aanpak waarmee ruimte komt om langzaam toe te werken naar de datum van 1 oktober op een manier die ook milieukundig verantwoord is.
De Commissie Deskundigen Meststoffenwet gaat een advies uitbrengen over de groep wintergewassen die uitgezonderd kan worden van de inzaai van vanggewas, zodat bij implementatie de lijst definitief kan worden vastgesteld. Naast gras en wintergranen, kunnen onder andere meerjarige teelten en gewassen met een bewezen hoge stikstofbenutting in het najaar en de winter onder deze uitzondering gaan vallen.
De minister vraagt de Commissie Deskundigen Meststoffenwet ook advies over de hoogte van stikstofgebruiksnormen voor groenbemesters. Schouten wil wel vasthouden aan een gebruiksnorm voor niet-vlinderbloemige groenbemesters die vóór 1 september na graan, graszaad en koolzaad worden ingezaaid. De verplichte rotatie met rustgewassen zal Schouten alleen doorvoeren voor zand- en lössgronden.
De eis ten aanzien van het aandeel grasland zal niet voor voorbedrijven met vleesstieren gaan gelden, maar alleen voor bedrijven met melk- en weidekoeien. Als extra maatregelen om de opgave voor de oppervlaktewaterkwaliteit toch te realiseren, denkt Schouten onder andere aan een latere start van het uitrijdseizoen voor bouwland en het beperken van van de hoeveelheid toe te passen dunne fractie en drijfmest bij de najaarsbemesting.
De minister laat ten aanzien van de bufferstroken door een brede groep deskundigen een wetenschappelijk verantwoorde leidraad opstellen, waarbij ook de huidige waterkwaliteit als criterium wordt meegewogen. Op basis van deze leidraad kunnen waterbeheerders vervolgens bepalen in welke gebieden de huidige teeltvrije zones volstaan, omdat de oppervlaktewaterkwaliteit hier al op orde is of omdat een brede teeltvrije zone op een plek niet effectief is voor de waterkwaliteit.
Schouten wil op een later moment – als zij hierover ook met de Europese Commissie heeft gesproken – besluiten of de maatwerkaanpak die door sectororganisaties wordt bepleit als volwaardig alternatief kan worden geïmplementeerd. Op dit moment is dit nog niet zover uitgewerkt dat dit als volwaardig alternatief kan worden ingevoerd. Er leven nog vragen over uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, controleerbaarheid en effect op de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit.