Reeks aangenomen moties bij debat over zevende Actieprogramma Nitraatrichtlijn
De Tweede Kamer vraagt minister Schouten onder andere om het alternatieve plan van de sector met een maatwerkaanpak een volwaardige plek te geven in het definitieve zevende Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Daarbij moet de minister ook specifiek kijken naar gevolgen voor het toekomstperspectief voor jonge boeren bij de beoordeling van het alternatief van de sector.
In het zevende Actieprogramma moet zoveel mogelijk ruimte worden gegeven voor invoering van een geborgde maatwerkaanpak op basis van doelvoorschriften, waarbij de kansen van precisielandbouw benut kunnen worden. De minister moet samen met de sector werken aan draagvlak voor de ambitie om te voldoen aan de verplichting van de Nitraatrichtlijn, zowel bij de veehouderij, als de akkerbouw.
Ook wil de Tweede Kamer dat er een permanente commissie wordt ingesteld die de weersomstandigheden, gewasontwikkeling en dergelijke monitort om de minister van LNV tijdig te adviseren over een realistische verplichte inzaaidatum voor vanggewassen. Bij de voorgestelde eis van minimaal 60 tot 70% rustgewassen en 50% permanent grasland bij graasdierbedrijven moet gekeken worden naar de specifieke positie van gemengde bedrijven en bedrijven in de vleesveehouderij. Schouten moet daarnaast borgen dat bufferstroken alleen kunnen worden voorgeschreven in gebieden waar de effectiviteit hiervan is aangetoond en noodzakelijk is.
Ten aanzien van de verplichte rotatie met rustgewassen moeten bedrijven op klei- en veengrond worden uitgezonderd. Verder wil de Tweede Kamer onder winterteelten in ieder geval alle meerjarige teelten vallen en ook wintergroenten en suikerbieten en bloembollen die ’s winters in de grond zitten. Verder moeten ook zetmeelaarcappelen, en zo nodig ook andere gewassen als bijvoorbeeld chichorei en winterpeen, worden uitgezonderd van de verplichte inzaai van een vanggewas per 1 oktober als de verminderde nutriëntenopname door het vroeger oogsten niet opweegt tegen het opnemen van nutriënten door het vanggewas of wanneer alternatieve bemestingsmaatregelen voldoende effectief zijn.
De Tweede Kamer vindt verder dat de definitie van mestverwerking zoals die is opgenomen in de Meststoffenwet niet klopt en moet worden aangepast. Nu wordt ook het verbranden of exporteren van mest als mestverwerking bestempeld. Mestverwerking betekent echter dat dat er mestproducten worden gemaakt die aansluiten op de behoefte van bodem en gewassen. Daarbij vindt de Tweede Kamer ook dat er vervangende verwerkingsovereenkomsten toegekend moeten worden aan bedrijven die mest verwerken.