Nitraatgehalte wordt bepaald door grondsoort en gewas, meer dan door de bemesting

Het RIVM monitort al vele jaren de waterkwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Hieruit blijkt dat de grondsoort en de gewaskeuze de meest verklarende factoren zijn voor het nitraatgehalte.
Wanneer er te veel wordt bemest is er een hoger stikstofoverschot en zal er een hogere uitspoeling zijn van nutriënten, en daarmee zal het nitraatgehalte stijgen. Het zogenaamde LMM-meetnet laat echter duidelijk zien dat dit niet de belangrijkste factor is voor de waterkwaliteit. Grondsoort en gewaskeuze zijn veel meer bepalend.

In een publicatie over waterkwaliteit op melkveebedrijven wordt dit duidelijk gemaakt. De hoogste nitraatgehaltes worden gemeten op zand- en lössgronden. Wat blijkt echter: in deze regio's zijn de stikstofoverschotten juist het laagste. 


De verklaring is dat in bodems met een hoge grondwaterstand of met veel organische stof (veenregio) het nitraat snel wordt afgebroken via denitrificatie. Nitraat wordt dan omgezet tot N2 (stikstofgas, 78% van de lucht bestaat uit N2), maar ook tot N2O (= lachgas, een broeikasgas). Op löss en (droge) zandgronden vindt deze denitrificatie veel minder plaats.

Naast grondsoort is het gewas een belangrijke verklarende factor voor het nitraatgehalte, met hogere nitraatgehaltes onder maisland dan onder grasland.

Gras neemt het hele jaar stikstof op en voorkomt daar uitspoeling in met name het najaar als andere gewassen niet meer op het veld staan of geen nutriënten meer opnemen. Daarom zijn de meeste akker- en tuinbouwgewassen ook erg gevoelig voor een hoge nitraatuitspoeling; dit terwijl de zandgronden vaak bij uitstek geschikt zijn om goede gewasopbrengsten en productkwaliteit te realiseren.
Auteur: Jan Roefs
Bron: RIVM
Publicatie: 17-09-2021