Universiteit van Amsterdam meet stikstofdepositie met biomonitors

Sinds 1 januari 2020 meet het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica van de Universiteit van Amsterdam, met financiering van het Mesdag Zuivelfonds, stikstofdepositie rond twee boerderijen en in natuurgebieden. Dit onderzoek is in lijn met de aanbeveling van het Adviescollege Stikstofproblematiek onder voorzitterschap van Johan Remkes om de stikstofdepositie te meten in plaats van alleen te berekenen. Een van de methoden die daarvoor gebruikt wordt, zijn biomonitors.

Een biomonitor is een organisme dat in het veld verbindingen opneemt. In dit onderzoek gaat het daarbij om stikstofverbindingen. Omdat  stikstofverbindingen belangrijke voedingsstoffen zijn, zal in situaties dat er onvoldoende stikstof beschikbaar is, de beschikbare stikstof snel worden opgenomen door het organisme. Van dat feit maken de onderzoekers gebruik om via verschillende benaderingen de stikstofdepositie te bepalen.


In het onderzoek is gebruik gemaakt van Italiaans raaigras, opgekweekt in de kas onder stikstofarme omstandigheden, bijvoorbeeld door gebruik te maken van arm zand met weinig stikstof. Na verloop van tijd worden de potten met de planten in het veld geplaatst, waar ze gedurende een vaste periode staan. Alle stikstof die via natte en droge depositie op de plant en op de bodem terechtkomt, zal worden opgenomen door de plant, omdat de plant een stikstoftekort heeft. 


Daarnaast wordt onderzocht in welke mate de plant gebruik maaktvan de twee verschillende stabiele isotopen van stikstof 14N en 15N om de bron van de depositie te bepalen. De stikstof in ammoniak die vervluchtigt uit mest heeft een andere 14N:15N verhouding dan de stikstof in stikstofoxiden van het verkeer en de industrie. Door het meten van de 14N :15N verhouding in biomonitors, is het mogelijk om een uitspaak te doen van de bron van de opgenomen stikstof.


Omde verhouding tussen 14N en 15N te bepalen worden mossen gebruikt als biomonitor. Mossen zijn hiervoor heel geschikt omdat ze wel stikstof vastleggen, maar geen wortels hebben. Daarom zijn ze helemaal afhankelijk van wat ze uit de neerslag en uit de lucht opnemen. En dat is stikstofdepositie in de vorm van ammoniak en stikstofoxiden. Daarnaast wordt er ook geëxperimenteerd met micro-organismen als biomonitor.


Het uiteindelijke doel is om emissie en depositiepatronen van ammoniak rondom twee melkveestallen in kaart te brengen, zowel ruimtelijk als door de tijd. Door deze manier van onderzoeken, kan in kaart worden gebracht welk deel van de uitgestoten ammoniak lokaal neerslaat of elders.


In een latere fase van het project zullen de meest geschikte biomonitors gebruikt worden in 3 Natura 2000-gebieden waar het RIVM doormiddel van COTAG masten de ammoniakdepositie meet en modelleert. De bedoeling is om na deze eerste 3 jaar onderzoek met biomonitors, de gemeten stikstofdepositie te vergelijken met de waardes van het RIVM. In de tweede helft van 2022 hopen de onderzoekers hun eerste resultaten te kunnen presenteren.

Bron: Universiteit van Amsterdam en Mesdag Zuivelfonds, 08/07/2021
Publicatie: 09-07-2021