Toelichting over voortgang Europese erkenning kunstmestvervangers

De afgelopen tijd is regelmatig nieuws verschenen over de EU-meststoffenverordening. Het NCM merkt dat er in het veld en in de pers een aantal misverstanden bestaan over dit traject. Het is belangrijk om twee afzonderlijke processen van elkaar te onderscheiden: 1. De EU-meststoffenverordening: dit is handelsbeleid 2. Safemanure: dit houdt verband met milieubeleid. NCM geeft hier een toelichting over beide trajecten.

1. De EU-meststoffenverordening.
Dit traject gaat over het verhandelen en vervoeren van meststoffen, en niet over het mogen bemesten van landbouwpercelen met dierlijke mestproducten boven de 170 kg N (of meer voor derogatiebedrijven) per hectare.
Op dit moment is er nog geen sprake van een open, vrije markt in de EU en legt ieder land of regio (bijvoorbeeld een deelstaat) eigen kaders op. Via de nieuwe EU-meststoffenverordening wordt er wel een open handelsmarkt gecreëerd voor organische meststoffen. Dit gebeurt via een CE-markering, zoals we die ook kennen voor bijvoorbeeld speelgoed of elektrische apparaten.

Het is overigens een voorlopig akkoord, de volgende stappen zijn goedkeuring, al dan niet met aanpassingen, door het Europese parlement, waarschijnlijk medio februari, en vervolgens de vertalingen en de beoordeling door juristen. Dit zal het komende half jaar plaatsvinden. Naar verwachting zal de verordening in 2021 van kracht worden.

De verordening betreft een groot aantal producten, onderverdeeld in productgroepen die allen bedoeld zijn om planten te laten groeien, direct of indirect via bijvoorbeeld groeistimulatie of bodemverbetering. Dit zijn de zogenaamde PFC's: Product Function Groups.
De producten moeten gemaakt zijn uit toegelaten grondstoffen, ook ingedeeld in categorieën (CMC = Component Material Categories). Dierlijke mest valt onder de categorie CMC10: dierlijke bijproducten. Het is nog niet bekend welke voorwaarden aan deze categorie worden opgelegd.

Een producent van bemestingsproducten op basis van dierlijke mest kan ervoor opteren om zijn producten te laten CE-markeren. Hierbij moet hij deze markering zichtbaar op het product aanbrengen. Deze markering is optioneel en dus niet verplicht, de producent kan er ook voor kiezen om volgens het oude regime, met aparte regels per land of regio, te blijven werken.
Het certificeren moet gebeuren door een erkend instituut, en benodigde analyseresultaten moeten komen van erkende laboratoria. Deze erkende instituten – die overigens uit de hele EU kunnen komen – moeten worden aangewezen door een landelijke autoriteit. In Nederland moeten zowel de landelijke autoriteit als het erkennen van de instituten nog worden bepaald.
Ook is het zo dat nog niet voor alle metingen er meetprotocollen zijn die toepasbaar zijn voor organische meststoffen. Het kan ook zijn dat eisen ten aanzien van bijvoorbeeld hygiënisatie een stuk stringenter worden dan nu het geval is.
NCM zal u op de hoogte blijven houden van de voortgang, en mogelijk om uw input vragen bij openstaande vragen.

Andere relevante verordeningen voor export van organische meststoffen zijn:

- De EU-verordening voor handel in dierlijke bijproducten

- De EU-verordening betreffende vervoer van afvalstoffen


2. Safemanure
Een tweede traject dat in Europees verband speelt is de bemesting met dierlijke mest per hectare. Op dit moment is er een standaardregel van 170 kg N per hectare. Een land kan onder voorwaarden een uitzondering – derogatie – aanvragen op deze regel. De Nederlandse derogatie voor melkveebedrijven is daar een voorbeeld van. Wanneer een gewas meer stikstof nodig heeft (en de gebruiksnorm staat dat toe), dan dient een boer of tuinder dat met kunstmest te doen.


In het streven naar kringlooplandbouw streeft de EU ernaar om het onder voorwaarden mogelijk te maken ook andere meststoffen dan minerale meststoffen (kunstmest) toe te staan. Onder voorwaarden, want kringlooplandbouw mag niet ten koste gaan milieukwaliteit.
Safemanure is het project dat als doel heeft deze juiste voorwaarden te bepalen. De belangrijkste aspecten zijn:
- De stikstofwerking voor het gewas
- De stikstofverliezen tijdens en na de teelt naar water of lucht
- De stikstofophoping in de bodem
- Voorkomen van andere milieubelastende effecten, zoals vervuiling van oppervlakte- of grondwater met zware metalen of organische stoffen (waaronder residuen van gewasbeschermingsmiddelen, medicijnen of hormonen).
Ook wordt het effect op broeikasgasemissies (CH4 (=methaan), N2O (=lachgas), CO2) meegewogen.
Deze parameters worden bepaald voor de belangrijkste bodemsoorten en gewassen, in enkele klimaatzones, met bijzondere aandacht voor de uitspoelingsgevoelige gebieden. Geheel Nederland is als uitspoelingsgevoelig aangewezen.
Als referentie wordt genomen de ammonium- en nitraathoudende minerale meststoffen (zoals kalkammonsalpeter = KAS).
Het is overigens gebleken dat er voor veel, maar niet alle omstandigheden voldoende wetenschappelijke onderbouwing is. Aanvullend onderzoek is in een aantal gevallen dus vereist.

Men heeft de meststoffen geprioriteerd, waarbij men ook afgaat op kansrijkheid. De hoogste prioriteit krijgen ammoniumzouten, producten uit omgekeerde osmose en neergeslagen zouten. Digestaat uit vergistingsinstallaties krijgen een lagere prioriteit, en meststoffen met een hoog gehalte aan organische stof (zoals bodemverbeteraars) de laagste prioriteit.

NCM heeft zorg besteed aan deze toelichting en het naar beste weten opgesteld, maar is onder geen omstandigheid aansprakelijk voor gevolgen die hieruit voort zouden kunnen komen.

Auteur: Jan Roefs
Publicatie: 25-01-2019