Erkenning 'kunstmestvervangers' weer stap dichterbij

Meer ruimte voor het gebruik van de stikstof uit verwerkte mest. Daar draait het om bij de lobby voor erkenning van kunstmestvervangers. Langzaam komt dat doel in beeld. Sommige verwerkers nemen intussen een andere afslag. Een artikel in Boerderij.
Goed nieuws uit Brussel. Het Europese Joint Research Centre (JRC) heeft een positief rapport gepresenteerd aan het Nitraatcomité over het gebruik van verwerkte dierlijke mest als vervanger van kunstmest (RENURE). Het JRC vindt dat verwerkte dierlijke mest onder bepaalde criteria veilig (met het oog op uitspoeling) en effectief kunstmest kan vervangen. Het is nu aan het nitraatcomité om de precieze voorwaarden te formuleren voor het gebruik van deze mestproducten. Dat zegt europarlementariër Jan Huitema (VVD), de onvermoeibare lobbyist voor erkenning van mineralenconcentraten als alternatief voor kunstmest in Europa.

Wetenschappelijk is er overeenstemming, volgens Huitema, het zou nu alleen nog gaan over de juridische borging en de handhaving, wat overigens niet eenvoudig is. Hij hoopt dat Nederland voor het nieuwe Actieprogramma nitraat, dat in 2022 ingaat, van deze ontwikkeling kan profiteren. “Politiek is het akkoord. Iedereen wil hergebruik van mineralen en landbouwminister Schouten kan dit zeker gebruiken voor haar uitwerking van kringlooplandbouw”, zegt Huitema.

RENURE
Waar gaat het ook alweer om? Vooral in de veehouderij is behoefte aan een andere wettelijke status van stikstofhoudend mineralenconcentraat, een eindproduct bij mestverwerking. Een aantal mestverwerkers produceert deze meststof naast een droog, fosfaatrijk eindproduct. De vloeistof bevat met name stikstof en kalium en soms ook zwavel. De gehaltes variëren per producent. Concentraat is wel een groot woord, water is het belangrijkste bestanddeel.

Omdat de stikstof een dierlijke oorsprong heeft, valt het concentraat onder de dierlijke meststoffen. De kilo’s N tellen dus mee voor de maximale mestgift. In combinatie met de mestverwerkingsplicht leidt dit er toe dat veehouders via mest stikstof af moeten voeren maar tegelijk kunstmest aanvoeren. Bedoeling van de lobby is om dat te veranderen. Als het concentraat de status heeft van kunstmest, drukt dat het kunstmestgebruik en ontstaat een nieuwe afzetmarkt voor de mestverwerking.

De kunstmestindustrie, daar tegenover, verliest een afzetmarkt. Ook wijzen critici er op dat het gebruik van mineralenconcentraat wel veel watertransport tot gevolg heeft. Daarom is gebruik binnen een niet al te grote afstand van de productielocatie gewenst.

De voorwaarden voor RENURE, volgens het SAFEMARE-onderzoek:
Het Europees Joint Research Centre (JRC) heeft criteria opgesteld voor producten die als kunstmestvervanger (renure is de Brusselse term) gebruikt mogen worden in de toekomst, als ook de juridische kant van het verhaal geregeld is. De stikstof in deze meststoffen kan dan gebruikt worden bovenop de toegestane hoeveelheid uit dierlijke mest. De voorwaarden zijn, voor zover nu bekend:
  • Het aandeel minerale N op het totale N-gehalte moet minimaal 90% zijn. Ofwel: minimaal 90% van de stikstof in het concentraat moet in ‘minerale vorm’ zijn, dus als ammonium, ureum of nitraat, en niet organisch gebonden zijn.
  • Of: de verhouding van de totale hoeveelheid organische koolstof en de totale hoeveelheid N mag maximaal 3 zijn.
  • Er gelden drempels voor de gehaltes zware metalen: maximaal 300 mg koper (Cu) en 1 mg kwik (Hg) per kilo droge stof.
  • Emissie-arm uitrijden en opslaan blijft wel een voorwaarde. Voor sommige concentraten is er kans op ammoniakemissie. Dat is vooral bij meststoffen waarin minder dan 40% van de totale hoeveelheid stikstof de vorm heeft van nitraat, en bij bodems met een pH hoger dan 5.


Pilotprojecten verwerkte dierlijke mest
Vooruitlopend op integrale toelating lopen in Nederland nu twee pilotprojecten waarin de verwerkte dierlijke mest gebruikt mag worden bovenop de gebruikelijke plafonds. Dat is het project Vruchtbare Kringloop Achterhoek en de pilot Mineralenconcentraten. Bij de eerste staat circulaire landbouw in één regio centraal. In het project is ook aandacht voor praktische zaken als hoe garandeer je de gehaltes en welke veiligheidsgaranties zijn mogelijk, denk bijvoorbeeld aan salmonella. “We zitten in het proces”, verklaart Johan Temmink, die er namens ForFarmers een rol in speelt. “En we moeten al die aspecten serieus onder ogen zien.” Leverancier van de speciale Groene Weide meststof is de vorig jaar door koningin Máxima geopende Groene Mineralencentrale in Beltrum (Gld.).

Aan het andere project doen achttien mestverwerkers mee (tien deelnemers en acht geassocieerde deelnemers), allemaal in het zuiden van Nederland. Het bemestingsseizoen is nagenoeg voorbij, maar nieuwe afnemers zijn altijd welkom, verklaart Bas van den Bergh van Mestac-Merensteyn in Ysselsteyn (L.). De productie gaat altijd door, met een continue aanvoer van 3.500 ton varkensmest per week. De gehaltes zijn hier stabiel 8 kg N en 10,5 kg K per kuub. Het levert nog geen geld op, aldus Van den Bergh. Met name bij afzet buiten het groeiseizoen krijgt de afnemer geld toe. Nieuwe afnemers zijn nog altijd welkom, aldus Van den Bergh.

Voordat alle veehouders in Nederland kunnen overstappen op kunstmestvervangers moeten nog wel wat stappen gezet worden. Controleerbaarheid en kwaliteitsgaranties zijn nodig, leert ervaring in de mestwereld. De overheid wil garanties dat het verantwoord gebruikt wordt. Minstens zo belangrijk is het vertrouwen van de afnemer: krijgt hij wat hij verwacht en werkt het goed? Deelnemers aan de pilots spreken van positieve resultaten en het aantal afnemers groeit.


Mestverwerkers volop in ontwikkeling
Intussen is de wereld van de mestverwerking volop in ontwikkeling. Deze zomer begon Greenferm in Apeldoorn met enige vertraging aan de productie. Het bedrijf draait nu op halve kracht bij een totale capaciteit van 350.000 ton mest per jaar. Het eindproduct is droge mest (50-55% droge stof en 30 kilo fosfaat per ton). Het product is bestemd voor de export. Als het bedrijf eenmaal op stoom is, volgt verdere productontwikkeling, zoals mestkorrels, vertelt Berend Dunsbergen, directielid van Greenferm. Opmerkelijk: hier geen mineralenconcentraat. “Dan maak je een nieuw probleem, want wat moet je er mee?”, zegt Dunsbergen. De stikstof in de dunne fractie verdwijnt na beluchting in de vorm van onschadelijk stikstofgas, het restwater wordt geloosd. De rest van de meststoffen blijft in de dikke fractie. Greenferm werkt met 10 jaars contracten voor de mest.

Zo zijn er talloze technieken in de bontgekleurde wereld van de mestverwerking. Ook de schaalgrootte varieert enorm. Het Nederlands Centrum voor Mestverwaarding (NCM) telde in de laatste inventarisatie 134 operationele verwerkers. Gezamenlijk verwerkten zij in 2019 8,3 miljoen ton drijfmest. 62% van de gemelde verwerking gebeurt door 28 grote bedrijven met een capaciteit van meer dan 100.000 ton per jaar. Grote verwerkers drukken dus hun stempel op de markt en gaan dat in de toekomst nog meer doen. Tot het eind van dit jaar zouden nog zeven installaties in gebruik genomen worden met een capaciteit van 1,4 miljoen ton mest.

Krimpende veestapel
Door de komst van een aantal grote nieuwe verwerkers in combinatie met krimp van de veestapel zou je kunnen denken dat er straks een strijd ontstaat om de mest. Verwerkers zijn ook wel actief aan het werven. Zekerheid over de aanvoer van mest is van groot belang voor hen. Maar zorgen over een mesttekort zijn niet te bespeuren. Een analyse van het NCM van deze zomer bevestigt het beeld dat verwerking nodig blijft. De te exporteren hoeveelheid fosfaat neemt weliswaar af van 30 miljoen kilo in 2019 naar 20 à 25 miljoen kilo in 2025. Maar daarna zou er weer een kleine toename te verwachten zijn met 1-2 miljoen kilo richting het jaar 2030.

Jan Roefs, directeur van het NCM, voegt daar aan toe dat de afzet van fosfaat in het buitenland zoals die tot nu toe ging, steeds meer onder druk komt. Zo is de mestexport naar Duitsland al sterk afgenomen wegens aanpassing van de regelgeving in dat land, dat zelf ook een mestprobleem heeft. Als die ontwikkeling doorzet, neemt het belang van meer intensieve bewerking en hoogwaardiger producten toe, evenals het ontwikkelen van nieuwe afzetmarkten. En de erkenning van mineralenconcentraten als kunstmestvervangers dus ook.
Auteur: Johan Oppewal
Bron: Boerderij
Publicatie: 04-09-2020