Varkenshouder moet minder dieren houden voor gebruik mestverwerkingsinstallatie

De Brabantse gemeente Asten heeft een varkenshouder een omgevingsvergunning verleend voor de exploitatie van een een mestverwerkingsinstallatie bij een varkenshouderijbedrijf dichtbij de dorpskern van Asten. De rechtbank Oost-Brabant heeft in een tussenuitspraak bepaald dat dit toelaatbaar is onder voorwaarde dat er op het bedrijf minder dieren worden gehouden.
Door de varkenshouderij is er al sprake van een overbelaste situatie. De mestverwerkingsinstallatie voegt hier extra geurhinder aan toe. De rechtbank heeft de Stichting advisering bestuursrechtspraak de kwestie met spoed laten onderzoeken. Het adviesorgaan heeft aangegeven dat wordt voldaan aan de richt- en grenswaarden van de provinciale beleidsregel voor geurhinder. De gemeente moet echter nog motiveren of er in dit geval reden is om af te wijken van deze beleidsregel van de provincie. Daarom doet de rechtbank een tussenuitspraak en wordt de omgevingsvergunning geschorst.

De Stichting advisering bestuursrechtspraak heeft uitgerekend dat de geurhinder van de mestverwerkingsinstallatie gelijk staat aan het houden van 30 zeugen en 101 gespeende biggen. De varkenshouder houdt al 100 zeugen minder met het oog op een mogelijke sanering van het bedrijf. Daarom bepaalt de rechtbank dat de schorsing van de omgevingsvergunning vervalt als de varkenshouder tot de einduitspraak 100 zeugen minder houdt.

Meer informatie is te vinden in de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Brabant.
Bron: Rechtbank Oost-Brabant, 31/07/2020
Publicatie: 04-08-2020